Een niet-koosjer varken op het menu in Jeruzalem

Archeologie Wat deed een varkentje in de keuken in Jeruzalem, 2.750 jaar geleden? Want dat gaat in tegen de spijswetten. Of was het niet zo’n taboe?

Het skelet van het aangetroffen varkentje, 2.750 jaar oud. Het dier moet nog geleefd hebben toen Jeruzalem werd getroffen door een aardbeving.
Het skelet van het aangetroffen varkentje, 2.750 jaar oud. Het dier moet nog geleefd hebben toen Jeruzalem werd getroffen door een aardbeving. Foto Lidar Sapir-Hen, Joe Uziel, en Ortal Chalaf

Er is een varkentje gevonden in Jeruzalem, 2.750 jaar oud. Dat is een ongewone vondst, zeker bij opgravingen van een rijk huis uit de achtste eeuw voor Christus, schrijven drie Israëlische archeologen – Lidar Sapir-Hen (Universiteit van Tel Aviv), Joe Uziel en Ortal Chalaf (beiden Israel Antiquities Authority) – in het juni-nummer van Near Eastern Archeology.

En het niet-koosjere varkentje was nog bijna ontsnapt ook. De archeologen troffen het complete skelet van het dier (‘niet ouder dan zeven maanden’) aan tussen twee vazen in een door een aardbeving ingestorte keuken annex opslagruimte in de Stad van David, in Oost-Jeruzalem, een paar honderd meter van de Klaagmuur.

Het was een rijk huis geweest, op een toenmalige toplocatie bij de Gihonbron – toen de belangrijkste waterbron van Jeruzalem. In de ruimte lagen verder grote wijnkruiken, schalen, kookpotten, opslagvaten en andere kruiken, maar ook andere dierlijke resten: schapen, runderen, berggazelle, watervogels, kippen, vissen en zelfs muizen. Die meeste andere dieren waren waarschijnlijk al geslacht voor een komende maaltijd. Maar gezien de compleetheid van het skelet moet het varkentje nog geleefd hebben in die chaos van de aardbeving. Als hij op weg naar de vrijheid niet klem was geraakt, was het dier waarschijnlijk nooit teruggevonden.

Spijswetten uit de Torah

Wat deed dat varkentje daar? Jeruzalem was een Joodse stad, hoofdstad van het Joodse koninkrijk Judea, met als trots centrum de Eerste Tempel, die door de grote koning Salomo gebouwd zou zijn. Volgens de spijswetten uit de Torah, de heilige Joodse boeken van Mozes (die ook de eerste vijf boeken van de bijbel vormen) is het eten van varkenvlees streng verboden. „Zwijnen hebben wel volledig gespleten hoeven maar herkauwen niet en gelden daarom voor jullie als onrein”, staat geschreven in Leviticus 11:7. Dat roept dus de vraag op in hoeverre in de achtste eeuw voor Christus al die spijswetten werden gehoorzaamd, schrijven de archeologen.

Want vanzelfsprekend is die naleving niet. Volgens bijbelgeleerden is de tekst van Leviticus pas eeuwen láter definitief vastgesteld, tijdens de Babylonische Ballingschap (597-538 v.Chr.) of misschien zelfs pas na de terugkeer, in de Perzische tijd na 538 v.Chr., toen de Tweede Tempel werd gebouwd in Jeruzalem.

De vondst van het varkentje past ook bij recente relativering van de toepassing van de Joodse spijswetten op archeologische gronden. Een paar maanden geleden nog bleek uit een inventarisatie van opgravingen dat tot ver in de Perzische tijd, tot ca. 300 v.Chr. ook het bijbelse verbod op het eten van waterdieren zonder schubben of zonder vinnen (Lev. 11:12) vrij algemeen werd genegeerd in Israël en Judea. Vooral de (schubloze) meervallen bleken populair.

Van oudsher werd in de archeologie van de Levant de vondst van varkensresten beschouwd als een duidelijke indicatie of er op een bepaalde plaats joden of niet-joden woonden. Maar mede door onderzoek van Lidar Sapir-Hen en de archeoloog Israel Finkelstein is de afgelopen jaren duidelijk geworden dat toen in de zuidelijke Levant eigenlijk óveral varkensvlees werd gemeden. Een totaal taboe was het niet: op de meeste plaatsen, ook in Jeruzalem, wordt in etensafval meestal wel een paar procent varkensresten gevonden. Alleen in een paar Filistijnse steden, zoals Ashdod, en interessant genoeg óók in het Noordelijke joodse koninkrijk Israël (dat in 720 door het Assyrische rijk verwoest werd) worden wel hogere percentage varkensresten gevonden.

Het taboe op varken kan zijn ontstaan in de rivaliteit tussen Judea en Israël

Dat in de zuidelijke Levant überhaupt weinig varkens werden gegeten had volgens Lidar Sapir-Hen vooral economische redenen. Schapen en geiten zijn gemakkelijker te hoeden en varkens hebben ook veel meer water nodig. Het belangrijkste voordeel – vooral voor arme mensen – is dat een enkel varken wél gemakkelijk en snel in een huishouden vetgemest kan worden, als er voldoende voedselafval is. In snel groeiende stedelijke gebieden had kleinschalige varkensfok daarom wel enig economisch nut.

Dat zou dan de belangrijkste reden zijn geweest voor de relatief grote varkensvondsten in Filistijnse steden en het noordelijke koninkrijk Israël. Het absolute, religieuze taboe op varkensvlees bij joden zou volgens Sapir-Hen dan ook niet zijn ontstaan ter onderscheid met niet-joden – want die aten zelf ook amper varkensvlees. Dat taboe zou volgens de archeoloog zijn ontstaan in intern joodse rivaliteit, tussen het zuidelijke joodse koninkrijk Judea en het dus wel meer varkensvlees etende noordelijke joodse koninkrijk Israël. Na de val van Israël in 720 vluchten ook veel noordelingen naar Judea, hetgeen de noodzaak voor onderscheid van de eigen identiteit kan hebben versterkt.