Recensie

Recensie Boeken

Deze dichtbundel biedt een caleidoscopische blik op de toekomst

Peter Verhelst Hoe effectief het kan zijn om iets niet te zeggen, weet Verhelst. Hij zwoegt in zijn nieuwe dichtbundel om een blik op te toekomst te veroveren én biedt heldere beelden en fonkelende visioenen.
Illustratie Paul van der Steen

Op de snelweg vanuit Duitsland naar Nederland, zat het stijgende water me op de hielen. Bij elk nieuwsbericht waren er meer mensen overleden en nog meer vermist. Huizen, bomen, levens bezweken gaandeweg. Eenmaal in Nederland hoorde ik een persconferentie vanuit Venlo, waar de spreker orde probeerde te scheppen in de chaos. Hij riep ramptoeristen op om thuis te blijven. Kan iemand een ramptoerist zijn als hij of zij de deur niet uitgaat? Misschien wel. Misschien ben ik er ook een, dacht ik. Een ramptoerist die de verkeerde kant opgaat.

De spreker riep op om met het mooie weer niet te gaan zwemmen in meren en beken, omdat er ‘bomen en … andere objecten’ in het water zouden kunnen drijven. Zonder de pauze tussen bomen en andere objecten had ik nog kunnen denken: goed idee, zwemmen tussen boomkruinen. In de pauze doemden de meest scherpe en verwondende voorwerpen op.

Hoe effectief het kan zijn om op het goede moment iets niet te zeggen, weet ook Peter Verhelst (1962), dichter, romanschrijver en regisseur, met een omvangrijk en experimenteel oeuvre. Zijn nieuwe dichtbundel 2050 biedt een caleidoscopische blik op de toekomst. Beheersing en rampspoed wisselen elkaar af, zoals ook de toon en vorm van de gedichten variëren van precies en ingehouden tot uitbundig en barok.

Verhelst breekt een redelijk nabije toekomst open, woord voor woord, strofe voor strofe. De lezer gaat mee in zijn zwoegen om deze toekomst te veroveren – heel anders dan Kazuo Ishiguro bijvoorbeeld doet in Klara en de Zon (2021), een roman waarin de nabije toekomst een gegeven is, en er weinig wordt uitgelegd over hoe dat zo is gekomen. Ishiguro’s werkwijze levert een overtuigende vertelling op, maar het zijn juist de stiltes en gaten die vallen bij Verhelst die zijn worsteling geloofwaardig maken, waardoor de gedichten overtuigen op een diep menselijk niveau.

Als een beeldhouwer die zijn eigen marmer uit een groeve hakt, gaat Verhelst te werk om het materiaal te winnen waaruit hij zijn toekomstvisioen vormgeeft:

Na de uitnodiging, de ontmoeting, de annunciatie.

Na het bezoek.

Na de epidemie. Na de overstroming – boten op daken; gebouwen en boomkruinen beslijkt; heb jij nog wilde bijen gezien?

Na de aardbeving – een almaar harder trillende kast waar almaar sneller glazen uit vallen.

Na de branden – traag drijft een schaduwwolk over het land.

Na de aanslag – het skelet van de auto.

Na de waarheid.

Na het precisiebombardement – vol op het ziekenhuis.

Na de droom.

De gebeurtenissen die Verhelst opvoert verrassen niet. Overstroming, epidemie, oorlog en brand behoren tot onze dagelijkse werkelijkheid. De manier waarop Verhelst de rampspoed opdreunt – na de waarheid, na het precisiebombardement, na de droom – suggereert dat het lot een eigen koers en ritme kent: het zal allemaal plaatsvinden en er is geen ontsnappen aan. Juist door achterwege te laten wat erna zal gebeuren, breekt hij een ravijn van mogelijkheden open.

In deze gedichten torent Verhelst uit boven de toekomst.

In het haast in zichzelf verzuipende prozagedicht ‘Voorbijdrijvend puin’ wordt kortademig beschreven wat je zoal tegenkomt bij een overstroming: ‘Een huis dat inklapt en de muren die zich binnenstebuiten keren en ijskasten en bedden en tafels en stoelen en stukken van dingen. Draaikolken. Kluwens die tegen boomkruinen en muren opklimmen om zich kolkend, schuimend en ziedend een weg te vreten door de rij huizen, over tuintjes en scholen en speelplaatsen en parkings en supermarkten heen… en…’

De herhaling van kolken in dit gedicht draagt bij aan de beweging van een wegspoelende wereld. Soms is herhaling minder effectief. Tot drie keer toe gebruikt Verhelst in 2050 ‘saffraan’ om de kleur van licht en lucht te beschrijven, wat bij de tweede keer nog op een herinnering kan duiden maar bij de derde keer protserig aandoet. Dan is een beschrijving als ‘auberginekleurige lucht’ in het openingsgedicht opeens ook minder frivool en misschien gewoon topzwaar.

De algemeenheid waarmee de instortende wereld wordt beschreven kan frustreren en doen verlangen naar een helder beeld. Verhelst biedt zo’n beeld steeds net op tijd, alsof hij zelf ook behoefte krijgt aan houvast en niet kopje onder wil gaan in de modder:

In de vlakte staat een man te schudden met een zeef. Er stroomt licht uit, er komt geen eind aan, een ononderbroken cilindervormige straal,

alsof de wereld overkookt

spuit licht uit de zeef (zijn hoofd slaat naar achteren) door de man heen, de lucht in.

Het is een helder, maar niet eenduidig beeld. De man staat te schudden met een zeef, een houding die bekend is van goudzoekers. Representeert deze man de mensheid die de aardbodem uitput, zijn gulzigheid en hoogmoed? De dichter doet geen uitspraak over de rol van deze man maar laat hem daar staan, met die knullige zeef die niet tegen de kracht van het licht is opgewassen – een schitterend beeld.

Lees ook dit interview met Peter Verhelst: ‘Ja, in sommige gedichten nam de kwaadheid de overhand’

Verhelst toont op meer plekken zijn beeldende kracht. Hij veroorzaakt met woorden filmische landschappen en sculpturen, zoals vliegende tuinen, een stad opgebouwd uit bijenraten op almaar dunner wordende zuilen en gebouwen met een vacht van stofdeeltjes. In deze gedichten torent Verhelst uit boven de toekomst. Hij is niet langer aan het zoeken, maar reikt de lezer fonkelende visioenen aan. In ‘Nieuwe bossen’ schetst de dichter wat de toekomst voor mens en dier zal betekenen op een existentieel niveau:

In dat bos lopen wolven, beren en vossen plechtig op hun achterpoten door de verlaten straten en duwen hun neus in de muren van de gebouwen, waarna ze zwijmelend hun weg verderzetten.

Wij liggen in lange rijen achter de donkere ramen van de gebouwen, onze hersens verbonden met schermen waarop wij door de straten lopen als wolf, beer, vos. We voelen ons gelukkig wanneer slaap zich als een pels over ons sluit – onze mond als een ritssluiting.

Bijzonder is dat uit dit gedicht een berusting spreekt en dat we door techniek mogelijk weer dichter bij de natuur komen te staan, al is dat slechts in de beleving. We kunnen ons een wild dier wanen wanneer we onze hersenen laten verbinden aan schermen. Echt wild zullen we niet worden: we slapen achter donkere ramen. Met een mond als een ritssluiting zeggen we vermoedelijk niet veel. Het leven zal een langgerekte pauze zijn.