De natuur op haar wreedst

Sarah’s zomer De komende weken schrijft Sarah Sluimer over haar zomer. Deze keer: ploegen in de tuin.

Sarah's zomer

Als kind wilden mijn ouders graag dat ik een beetje mee hielp op ons landje. Soms kreeg ik een krabbertje om het onkruid tussen de terrastegels weg te pielen, dan weer mocht ik zaadjes planten in de groentetuin. Ik groef regenwormen op en deed ze in potjes. In rieten manden verzamelde ik in de nazomer sterappels. In de winter kwamen vrienden en kennissen de wilgen langs de slootjes van het weiland knotten. Ik verzamelde de takken mee en legde ze op de groeiende stapel. Na weer een paar maanden werden ze verbrand en luidden we daarmee de lente in. Ik heb een lammetje dat door zijn moeder verstoten was, grootgebracht. Zijn pootjes werden steeds sterker, tot ze de kartonnen doos waarin hij sliep vertrapten. De geruststellende geur van stro en vette vacht kan ik nog steeds ruiken.

Toch was ik niet onder de indruk van de schoonheid van een zonnebloem die zich naar het licht keerde. Ik was niet verheugd als de bomen weer gingen bloesemen of als ik petrichor rook na dagen onverdraaglijke hitte. Als kind ben je gelijk aan al die zich een weg banende plantenworteltjes en donzige kuikentjes: als vanzelfsprekend aan het groeien. Op een onverschillige manier vertrouw je op de komst van ieder nieuw seizoen. Je ondergaat het en hebt er geen oordeel over.

Sinds een paar jaar volg ik met steeds grotere interesse de uitbottende magnolia in de achtertuin. Ik buk bij sneeuwklokjes. Ik word razend enthousiast van wilde bramen. Het is meer dan vreugde: ik ervaar grote opluchting als alles weer groen wordt en gaat bloeien.

Mijn celvernieuwing is langzaam aan het stagneren, maar ik laat wel een kind in mijn buik groeien

Met het ouder worden treedt, als het aan komt op de natuur, de argwaan in. Hoeveel zomers zal je nog zien? Zullen de vogels ook dit jaar weer eieren leggen in de oude eik in het park? Je rolt niet meer zomaar in het gras, maar legt eerst een dekentje neer en gaat keurig op je knieën zitten. Je wast je handen grondig als je in de tuin hebt gewroet. Je bent een aanschouwer geworden. Een bewonderaar van een mirakel waar je steeds minder deel van bent.

Nu ben ik nog best jong. Mijn celvernieuwing is langzaam aan het stagneren, maar ik laat wel een kind in mijn buik groeien.

Soms zie ik oude mensen verwoed in hun tuin ploegen. Iedere schep aarde een bezwering, een poging zich opnieuw een weg te graven naar dat wat hen buitengesloten heeft. Ik zie ze planten in potten stoppen en ’s avonds geconcentreerd de blauwe regen met een knippertje bijwerken. Ze geven niet op. Ze zullen in aanwezigheid van het wonder blijven. Tot ze zo zwak worden dat ze alleen nog maar vanachter een raam naar de weelderige kersenbloesem kunnen kijken.

Ook dat kan troosten. Maar tegelijkertijd is de natuur dan op z’n wreedst. Ze toont zich in al haar schoonheid, maar je mag niet meer bij haar zijn. Aan het begin ben je haar, aan het einde mag haar niet eens meer aanraken.