Judoka Anton Geesink: bestreden in Nederland, aanbeden in Japan

Judo Henk Grol wilde deze vrijdag proberen om 57 jaar na dato in de voetsporen te treden van zijn illustere voorganger in het zwaargewicht, Anton Geesink. Plaats van handeling: de Budokan in Tokio, waar Geesink zichzelf met een simpel gebaar onsterfelijk maakte.

Anton Geesink houdt zijn Japanse tegenstander Akio Kaminaga in de houdgreep in de olympische finale van 1964 in Tokio.
Anton Geesink houdt zijn Japanse tegenstander Akio Kaminaga in de houdgreep in de olympische finale van 1964 in Tokio. Foto Hollandse Hoogte/ANP

Soms, als hij zich geen raad weet met een situatie, sluit Nobuaki Konno (67) zijn ogen en vraagt hij zich af wat „mister Geesink” zou doen. Elf jaar na diens dood kan hij het karakteristieke stemgeluid van de judoka nog horen.

Samen maakten ze tientallen reizen door Japan, vaak naar Tenri, een religieuze stad ten oosten van Osaka, de plek waar Anton Geesink zich thuis voelde en zich voorbereidde op de Olympische Spelen van Tokio in 1964, het toernooi dat zijn lotsbestemming zou bepalen.

Konno was zijn vriend, maar dat zal je de Japanner andersom nooit horen zeggen. Daarvoor is Geesinks statuur veel te groot. Het zou van een onacceptabele vrijpostigheid zijn, zegt Konno. Zie me maar als zijn adviseur.

Op 23 oktober 1964 zat Konno met zijn familie in de woonkamer aan de tv gekluisterd. Hij was elf en vond de spanning ondraaglijk. Judo, de nationale sport, was voor het eerst olympisch en Japan had tot dan toe alle gouden medailles gewonnen. Maar in de finale van de belangrijkste categorie, de open gewichtsklasse, stond de lokale held Akio Kaminaga tegen een reus uit de Utrechtse Wijk C, de man die hem al meerdere keren had verslagen.

Na een paar minuten werkte Geesink zijn tegenstander tegen de grond. Kaminaga rolde in een bankschroef van een houdgreep waar hij zich op eigen kracht niet uit kon bevrijden. Dertig seconden later klonk de gong. Anton Geesink dompelde Japan in rouw en werd olympisch kampioen in het hol van de leeuw, in de Budokan van Tokio, die speciaal voor dit moment was gebouwd, maar waar nu een sfeer hing alsof er iemand was overleden. Geesink leverde een historische prestatie. Maar wat hij daarna deed, zou hem in Japan onsterfelijk maken.

De essentie van de judosport

Toen hij in 1961 in Parijs voor het eerst wereldkampioen werd, waren tientallen fans uit Nederland met hun schoenen de tatami op gerend. En hoewel Geesink later zou toegeven dat hij het stiekem wel mooi vond om gefêteerd te worden, getuigde het van weinig respect voor de tegenstander, die hij als partner aanduidde, omdat je zonder niet judoën kon. Drie jaar later, Kaminaga nog in zijn linkerarm gevangen, zag hij het weer gebeuren, dit keer voor zich. Hij sprong op en maakte met zijn rechterhand een stopteken. Het raakte de Japanners in het gebroken hart. Anton Geesink, de straatvechter uit een volksbuurt, had de essentie van de judosport begrepen. Het was niet de gouden medaille, maar een klein gebaar dat generaties zou overleven.

In een Amsterdams café grijpt Konno naar zijn binnenzak. Hij wil op zijn mobiele telefoon een filmpje laten zien van de Japanse premier Yoshihide Suga, in verhit debat met de oppositie. Het gaat over de Spelen van Tokio 2020, die het land voorafgaand in tweeën splijten. Een deel van de bevolking is bang dat de tienduizenden die van over de hele wereld in Tokio samenkomen het virus zullen verspreiden. In een vurig pleidooi valt de naam van Anton Geesink.

Toen hij van Kaminaga won, zat Suga op de basisschool. „Herinnert u zich Geesink nog”, vraagt de premier. „Ik nog als de dag van gisteren. Door hem leerden we dat we groot mochten dromen. En dat we respect moeten hebben voor elkaar. Laten we onze kinderen deze lessen niet afnemen. En hun dromen levend houden.”

Anton Geesink werpt zijn Japanse tegenstander op de grond.

Foto Hollandse Hoogte/ANP

Als je in Japan op straat over Anton Geesink begint, gaan veel mensen knikken en buigen. Oudere mensen die met eigen ogen zagen wat de judoka met zijn handgebaar teweegbracht, of iemand kenden die er kleurrijk over kon vertellen. Jongere generaties zegt de naam Geesink minder. Maar daar is onlangs verandering in gekomen.

Geesinks handgebaar

Konno heeft een tas vol boeken meegenomen. Eentje in het bijzonder wil hij laten zien. Het gaat om een boek dat op basisscholen in heel Japan wordt gebruikt in de zesde klas, voor kinderen van twaalf jaar, die les krijgen over moraal. In hoofdstuk zes staat de zwart-witfoto van Geesinks handgebaar centraal. Anton Geesink is naast Charles Darwin de enige niet-Japanner die in het lesboek voorkomt.

Konno geniet ervan. De man die zijn land over de knie legde, ontmoette hij twintig jaar later stomtoevallig op Schiphol, toen hij daar werkzaam was en Geesink hem in het Japans groette. De twee wisselden visitekaartjes uit en bleven contact houden. Konno had contacten tot in het keizerlijk paleis en Geesink riep zijn hulp in als hij in Japan dingen te doen had. En dat was nogal vaak het geval nadat hij zijn judocarrière beëindigd had.

Tijdens zijn vele reizen benadrukte Geesink dat ook de Japanners die oktoberdag in 1964 gewonnen hadden. Het was immers zijn sensei Matsumoto die hem in aanloop naar de Spelen zijn expertise en techniek bij had gebracht en aan wie hij gedeeltelijk zijn titel te danken had.

Yasuichi Matsumoto kreeg er achteraf veel kritiek door te verduren. Maar de oude meester had het slim bekeken. Hij besefte dat judo niet olympisch zou blijven als Japan er met alle medailles vandoor zou gaan. Mooie regionale sport, had het Internationaal Olympisch Comité (IOC) dan gedacht, maar zonder internationale voedingsbodem. Geesink werd, toen de pijn van het verloren goud wat was gesleten, als hoeder van dat deel van de Japanse cultuur gezien. Deuren gingen voor hem als vanzelf open.

Het maakte hem voor zowel de Nederlandse als de Japanse overheid en het bedrijfsleven aantrekkelijk. Geesink werd in zijn leven talloze keren ingezet als liaison ten bate van de bilaterale relaties. Konno vertelt over die keer dat een van zijn vrienden, werkzaam bij het Japanse landbouwministerie, vernam dat zijn lijntjes met Geesink kort waren. Zijn baas was een fervent judoka en hij zag mogelijkheden. Binnen de kortste keren was er een delegatie van het ministerie onderweg naar Utrecht en niet veel later promootte Anton Geesink in Japan oer-Hollandse kaas.

Zelfs na zijn dood vervult Geesink die rol. Nobuaki Konno verbleef vorig jaar een maand in Japan om de uitgestelde Spelen aan de man te brengen – hij zegt uit eigen beweging. Ook toen was de bevolking niet onverdeeld enthousiast. Konno liet posters drukken waarop in het Japans staat: ‘Anton Geesink steunt de Recovery Games’. Aan de familie van Geesink vroeg hij judoattributen om de boodschap luister bij te zetten. Die hangen nu op de Kokushikan Universiteit in Tokio, waar Geesink in 2000 een eredoctoraat kreeg, als „redder van het judo.” Konno weet zeker dat Geesink bij leven de Spelen van Tokio had gesteund.

Sportbestuurder

In Japan mocht hij geliefd zijn, in Nederland werden zijn verrichtingen met argusogen bekeken vanaf het moment dat hij sportbestuurder werd. Geesink, blijkt uit het lijvige boek dat auteur Kees Kooman over hem schreef, was niet iemand die bekend stond om zijn fluwelen aanpak. Als hij iets wilde, zou hij zijn zin krijgen.

Nadat Geesink in 1967 gestopt was met judo, bleef hij nog even actief als professioneel worstelaar. Later verhuurde hij appartementen in Oostenrijk en gaf hij judolessen in Nederland, Frankrijk en Japan. Hij begon zich in de hogere regionen van de mondiale topsport te begeven vanaf de jaren tachtig, toen hem door het Nederlands Olympisch Comité (NOC) was gevraagd om Amsterdam als kandidaatstad voor de Spelen van 1992 te promoten bij het IOC – die uiteindelijk naar Barcelona zouden gaan. „Hij lag meteen goed bij het IOC”, zegt zijn jongste zoon, Anton junior, aan de keukentafel van zijn zus Lenie in Utrecht. „Terwijl dat helemaal niet het plan was. Pa was tot die tijd met hele andere dingen bezig.”

Geesink bij de huldiging in Tokio.

Foto Hollandse Hoogte/ANP

Geesink werd in 1987 door toenmalig IOC-voorzitter Juan Antonio Samaranch voorgedragen als Nederlands IOC-lid. De Spanjaard zocht naar een bekende figuur uit het hart van de sport en kwam niet geheel onlogisch bij Geesink uit. Hij kon deze kans niet laten lopen. Als IOC-lid werd hij automatisch ook bestuurslid van de Nederlandse sportkoepel, het NOC. Geesinks aanstelling was een streep door de rekening van Henk Vonhoff en Ruud Frese, bestuurlijke zwaargewichten die zichzelf al in Lausanne zagen zitten. Het was het begin van de donkerste periode uit Geesinks leven. Bij het IOC liepen ze met hem weg, maar bij het NOC, later gefuseerd tot NOC-NSF, was er altijd wat.

Geesink nam zijn werk uitermate serieus, bereidde zich vaak tot diep in de nacht voor, of sliep helemaal niet. Hij schreef al zijn ideeën woord voor woord uit, en hing ’s ochtends vroeg al aan de lijn met Samaranch en later met Jacques Rogge. Het is onder andere zijn verdienste dat er vandaag de dag met een wit en een blauw judopak wordt gejudood. Geesink wilde zijn geliefde sport toekomstbestendig maken. Met verschillende pakken kon een scheidsrechter de judoka’s makkelijker uit elkaar houden. En blauw bleek een rustiger kleur voor de tv-kijker. De strijd met de traditionele judowereld was geen makkelijke. Zij wilden het bij wit houden. Daarop besloot Dick Bruna, ook uit Utrecht, hem een handje te helpen. Zijn creatie Nijntje werd voor een groot deel afgezet in Japan. Bruna ontwierp Nijntjes met judopakken in alle kleuren van de regenboog. Uiteindelijk ging de internationale judofederatie overstag.

Geesink was volgens zijn kinderen en auteur Kees Kooman, die honderden mensen rondom hem sprak, een principiële man, die, als hij ergens geen fiducie in had, zich niet achter een bestuurlijke meerderheid schaarde om maar van de zaak af te zijn. Of het nu ging om de plek van nationaal sportcentrum Papendal of om een nieuwe sponsor voor de sportkoepel. Geesink was het nergens zomaar mee eens. Bestuurlijke conflicten, waaronder die met de toenmalige voorzitter Hans Blankert, vocht hij tot in de rechtszaal tevergeefs uit. Dat kwam zijn imago niet ten goede.

Omkoping

Daarbij kwam dat Geesink als hoofd-gedelegeerde van het IOC met omkoping in verband werd gebracht, voorafgaand aan de aanwijzing van de Olympische Winterspelen in Nagano (1998) en Salt Lake City (2002). Zijn stichting zou geschenken hebben aangenomen, en 5.000 dollar. Dat verwijt krenkte de man die volgens zijn kinderen altijd de sport en de sporters centraal stelde tot op het bot. Hij streed al tegen zijn „vijanden” vanaf het moment dat hem in 1960 als worstelaar de Spelen van Rome ontnomen werden omdat hij naast zijn trainingen ook les gaf. Dan was je professional, en niet welkom op de Olympische Spelen. Die ervaring droeg hij zijn leven lang bij zich.

Anton Geesink junior herkent zijn vader in oud-CDA’er Pieter Omtzigt. „Ook zo’n luis in de pels, een vechtjas, iemand die niet wijkt voor vriendjespolitiek. Daar hebben ze last van en maken ze kapot. Maar pa was fysiek sterk, dus hij redde zich een hele tijd.”

Lenie Geesink zegt dat ze op een goed moment met haar vader afsprak dat het bij een verjaardag of een etentje niet meer over het NOC mocht gaan. Anders bleef hij erover praten. Als hij het toch niet kon laten, moest hij maar op kantoor gaan zitten. „Hij heeft wel eens gezegd dat hij al lang was gestopt als alles goed was gegaan”, zegt ze. „Maar nu hij liet zich niet klein krijgen. Hij dacht: ik blijf hier tot mijn dood. En dat is gebeurd.” Anton junior: „Het was het niet waard. Maar voor hem was het een wedstrijd.”

Een wedstrijd die in gang werd gezet door dat ene gebaar, in 1964 in Tokio. Stop. Tot hier en niet verder.