Peter Dijkshoorn: „In de jeugdhulp is het nu sturen in de mist.”

Foto Roger Cremers

Interview

‘Niemand slaat zijn kind voor de lol’

Peter Dijkshoorn Wetenschappelijke kennis wordt niet goed gebruikt in de jeugdhulp, zegt Dijkshoorn. „Data, data, data – dat is het belangrijkst.”

‘Mishandelen doen we allemaal’. Het zou een goede slogan voor de jeugdbescherming kunnen zijn, zegt Peter Dijkshoorn (65). In zijn weelderige tuin in Giethoorn denkt de niet-praktiserend jeugdpsychiater en voormalig bestuurder van een jeugd-ggz-instelling hardop na over hoe hij kindermishandeling zou willen aanpakken. Hij ziet een landelijke, langlopende campagne voor zich, zoals de BOB-campagne tegen alcohol in het verkeer. „Die werkte als een tierelier.”

Het is één van de ideeën die Dijkshoorn heeft als ‘landelijk ambassadeur voor een lerend jeugdstelsel’, een functie die sinds vorig jaar bestaat en is bedacht en betaald door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Dijkshoorn denkt mee over hoe de jeugd-ggz, jeugdzorg en jeugdbescherming kan verbeteren. Hij schuift aan bij gesprekken van het ministerie van Volksgezondheid en de VNG over de toekomst van het jeugdhulpstelsel – een onvermijdelijk onderwerp in de kabinetsformatie. Ook schreef hij, met andere experts, een pamflet met aanbevelingen – Op de groei – dat onlangs verscheen.

Het klinkt wellicht tegenstrijdig, maar om kindermishandeling te voorkomen, zul je het eerst moeten ‘normaliseren’, denkt Dijkshoorn. „Jaarlijks worden in Nederland ruwweg 125.000 kinderen mishandeld. Dat begint vanuit onmacht, niemand slaat zijn kind voor de lol.”

Maar ouders durven geen hulp te zoeken. „We hebben een cultuur gecreëerd waarin ouders bang zijn dat ze hun kind kwijtraken.” Want dat zijn de verhalen die vooral naar buiten komen. „Terwijl we uit onderzoek weten dat kinderen die mishandeld zijn daar langdurige problemen aan overhouden. Angstklachten, trauma’s. Zij geven die weer door aan hun kinderen.” Dus: hoe eerder ouders met trauma’s in beeld komen en geholpen kunnen worden, hoe beter – voor ouder en voor kind. Hoe? Door de geveltekst van Veilig Thuis te veranderen, zegt Dijkshoorn: „Hier krijgt u hulp als het thuis uit de hand loopt. 95 procent van de kinderen die wij helpen blijft thuis wonen.”

Maar vooral: met wetenschappelijke kennis. „Laat wetenschappers een screening voor trauma’s bij volwassenen ontwikkelen. Leg dat bij consultatiebureaus of verloskundigen, het is maar één van de knoppen waar je aan kunt draaien. Het moet kunnen.”

Wetenschap wordt in de jeugdhulp wel vaker niet goed genoeg benut, vindt hij. „Er is veel bekend over wat wel en niet werkt en toch zien we kinderen en gezinnen vaak in langdurige en weinig werkzame hulptrajecten belanden”, schrijft hij in het pamflet met aanbevelingen voor de jeugdzorg. En: „Veel kennis die er wel is, wordt niet gebruikt.”

Lees ook:Dit artikel over fouten in de jeugdzorg

Als over jeugdhulp wordt gesproken, gaat het de laatste jaren vooral over geld. Steeds weer bleek uit evaluaties dat de doelen van de decentralisatie uit 2015, waarbij gemeenten verantwoordelijk werden voor de jeugdhulp, niet werden gehaald: zorg werd duurder, wachttijden voor met name specialistische zorg liepen op. Eind mei oordeelde een arbitragecommissie dat het Rijk de gemeenten komende jaren miljarden euro’s extra voor deze taken moet betalen.

Maar „domweg” meer geld is volgens Dijkshoorn „zeker” niet de oplossing. „De jeugdhulp moet beter”, zegt hij. „En goede zorg gaat over kennis.”

In 2013 noemde u het overhevelen van zorgtaken naar gemeenten in NRC al ‘heel gevaarlijk’. Er zou veel kennis verloren gaan. Waarom is er niet geluisterd?

„Misschien hadden we vanuit de wetenschap meer weerwoord moeten bieden. Een motor achter de stelselwijziging waren de stijgende kosten van de zorg. Overheden dachten: we medicaliseren te veel, we geven te veel kinderen een stempel. Dat moest inderdaad anders. Vervolgens was er geen goede samenwerking tussen de verschillende gebieden van jeugdhulp. We hadden beter kunnen uitleggen hoe het wel had gemoeten.”

U wilt problemen met kinderen eerder opsporen. Was dat niet ook een belangrijk doel van de decentralisatie van de jeugdzorg?

„Ja. Maar je moet wel weten wáár je dan eerder bij wil zijn, hoe je dat herkent en wie dat kan. Daar is niet van tevoren over nagedacht en niet in geïnvesteerd.

„Er waren gemeentes die zeiden: we gaan geen psycholoog in het wijkteam zetten, want die medicaliseren en dan komen er dure behandelingen uit voort.

„Maar een psycholoog is wel expert en kan problemen juist al in een vroeg stadium diagnosticeren.”

Hoe ging het twintig, dertig jaar geleden bij een probleem met een kind?

„Toen was er veel minder kennis. Mensen deden hun best. Stel je wist zeker dat een kind getraumatiseerd was, flinke narigheid had meegemaakt. Het kind kreeg dan bijvoorbeeld speltherapie. Van alles om toch iets te doen, maar het werkte niet. Behandelaars en wetenschappers ontwikkelden daarna werkzame traumatherapie.”

Welk wetenschappelijk inzicht zou de jeugdhulp moeten omarmen?

„Data, data, data – dat is het belangrijkst. Voor het ontwikkelen van een lerend stelsel is een goede kennisinfrastructuur nodig, maar in de jeugdhulp is het nu sturen in de mist. Hoe het gesteld is met het mentale welzijn van jongeren, wat de effecten zijn van beleidswijzigingen of een bepaalde aanpak: het wordt niet bijgehouden, dus er valt weinig over te zeggen.”

Welke informatie moet er dan worden verzameld?

„Dat kan van alles zijn. Neem dyslexie. Stel je hebt een groep van vijfhonderd kinderen bij wie het lezen achterblijft, die ga je onderzoeken. Dan blijkt misschien dat een deel zwak onderwijs kreeg en een ander deel wel goed onderwijs kreeg maar leerproblemen heeft. Een derde groep heeft dyslexie. Wat doe je met die drie groepen? Daar moet je op sturen. Nu wordt er vaak in het wilde weg een beslissing genomen op basis van aannames, óók politiek. Over de oorzaak, oplossing en het geld. Niet op basis van wetenschappelijke kennis. Wie het hardst roept krijgt gelijk. Heel willekeurig eigenlijk.”