Servies en vogels

Nicolien Mizee

Al bijna dertig jaar ben ik bevriend met Ger en Hans. Ze wonen in een mooi huis in Amsterdam. Ze zijn geïnteresseerd in toneel, architectuur en schilderkunst. Ze lezen, reizen, bezoeken musea en volgen de politiek. Er is slechts één onderwerp waar ze niets van af weten en dat is aardewerk.

„Wat een leuk kopje”, zeg ik bijvoorbeeld.

Kopje? Kopje? Wat voor kopje? Kippig kijken ze om zich heen.

„Dat kopje! Daar! Op de tafel!”

„O”, zegt Ger, „je bedoelt dat servies?”

Kopjes, schoteltjes, borden en juskommen – voor Ger en Hans is alles servies.

„En wat een leuke fruitschaal staat daar”, zeg ik.

Ze turen in de door mij aangegeven richting.

„Snap jij wat ze bedoelt?”, vraagt Ger aan Hans. „Bedoelt ze die appels en peren?”

„Zou ze dat stuk servies bedoelen waar ze in liggen?”, aarzelt Hans.

Nu moet u dit stukje opnieuw lezen en dan overal waar „servies” staat, „vogels” lezen. Ger en Hans weten niets van vogels. In hun diepe stadstuin staat een vogelhuisje waar van alles op neerstrijkt: merels, heggenmussen, grote bonte spechten, mussen, zanglijsters, halsbandparkieten, houtduiven, koolmeesjes en pimpelmezen. Maar voor Ger en Hans zijn dat „vogels”. Grote en kleine, bruine, zwarte en soms groene, allemaal vogels.

Ik vind dat onvoorstelbaar. Anderzijds, mijn zwager begrijpt niet dat Fiats, Volvo’s, Mercedessen en Jaguars louter auto’s voor mij zijn. Groot, klein, zwart of groen, verder kom ik niet. Toch gaat deze vergelijking niet op. Als ik automerken leerde onderscheiden, zou ik niet meer auto’s gaan zien. Terwijl ik oneindig veel meer vogels zie dan Ger en Hans als ik met ze door het park loop. Ik sta om de drie meter stil, grijp ze bij hun jasmouw en zeg: „Kijk! Boomklever!”

„Hè? Wat? Waar?”

„Dat leuke blauwe vogeltje, hij loopt nu langs de stam omlaag.”

Ze turen. Welke boom?

Dit geldt niet alleen voor Ger en Hans. Ik heb een vriendin die driemaal per dag met haar hond door het bos loopt en toch nooit een vogel ziet, zelfs niet als ik ze aanwijs.

Ik vind dat onvoorstelbaar, en toch was ik nog maar vijftien jaar geleden even onwetend. Het huwelijk met een vogelliefhebber dwong mij tot vogelliefde. Geveinsde interesse werd geleidelijk aan werkelijke interesse. Dat duurde drie jaar. Net toen ik het wilde opgeven, bleek ik om te zijn. Nu zie ik vogels soms eerder dan Thijs.

Eenmaal fietste ik om zes uur ’s avonds hard naar het station, maar maakte ik ineens rechtsomkeert omdat ik iets uitzonderlijks zag. Het was een bonte kraai. Dat kon niet, want die komt hier niet voor en ik had hem ook nog nooit gezien. Toch wist ik het diep in mijn hart zeker, en toen ik op waarneming.nl later ‘bonte kraai’, plaats en tijd invoerde, bleek mijn observatie correct te zijn.

Nu kan ik me mijn lange staat van onwetendheid niet meer voorstellen. Ik begrijp niet dat Ger het over „een vogeltje” heeft, terwijl er een winterkoninkje op de voederplank zit. Ik denk dat ik alleen maar „winterkoninkje” hoef te zeggen, en dat Ger het dan ook ziet.

Maar nee.

Nicolien Mizee is schrijver en vervangt Frits Abrahams tijdens zijn vakantie.