Opinie

Rivaliteit doet de wetenschap geen goed

Wetenschapsbeleid Wetenschap vergelijken met topsport is funest, betogen vier hoogleraren. Wetenschappelijke vooruitgang is gebaat bij open kennisdeling, integriteit, diversiteit en sociale veiligheid.

Illustratie Paul Campbell
Illustratie Paul Campbell

Het blad Onderzoek van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk onderzoek thematiseerde in het zomernummer ‘wetenschap als topsport’. In diverse bijdragen wordt deze metafoor uitgewerkt als bijvoorbeeld „de wens om te winnen”, „survival of the fittest”, en de „zoektocht naar de allerbesten”. Volgens het voorwoord van bestuursvoorzitter Marcel Levi komt de motivatie om steeds beter te presteren voort uit de ambitie van onderzoekers om „de beste op hun terrein” te willen zijn. Met als beloning een „plek op het podium” in de vorm van aandacht van media voor de winnaar die als eerste met een mooie vinding komt.

Verschillende onderzoekers plaatsten kanttekeningen bij dit perspectief. Het doet namelijk geen recht aan zorgen over de te grote werkdruk, schaarste aan posities en onderzoeksgelden, en toenemende stress en burn-out onder jonge onderzoekers. Ook gaat het voorbij aan het feit dat gangbare criteria voor wie ‘de beste’ is lang niet zo objectief zijn als men vaak denkt. Bovendien is de beeldspraak in strijd met de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, die aantonen dat onderzoekers hun werk als roeping zien en het beste gedijen in een cultuur van samenwerking, creativiteit en inclusie.

Topsportmetafoor

De rivaliteit in de wetenschap die wordt opgeroepen door de topsportmetafoor heeft niet alleen nadelige effecten voor individuele onderzoekers. Er zijn ook onwenselijke bijverschijnselen voor de wetenschap als geheel, die in tal van onderzoeken zijn gedocumenteerd.

Lees ook: Geef niet alleen geld aan de supersterren

Ten eerste blijkt dat nadruk op competitie en de wens om te ‘winnen’ het delen van belangrijke kennis en informatie tegengaat. Dat ondermijnt de samenwerking binnen en tussen disciplines, en beperkt de creativiteit van onderzoekers. Het is lang niet altijd relevant wie ergens ‘het eerste’ mee komt. Maar het aanwakkeren van die ambitie leidt er wel toe dat onderzoekers of onderzoeksteams sneller aandacht vragen voor een nieuwe vondst – en de nieuwswaarde ervan overdrijven.

Misschien doen ze dat wel té snel, want het maakt ze ook minder zorgvuldig bij het controleren van de kwaliteit of bruikbaarheid van ‘nieuwe ontdekkingen’.

Nadruk op competitie werkt wetenschappelijk wangedrag in de hand

Ten tweede blijkt het rangschikken van onderzoekers of onderzoeksgroepen strategisch gedrag in de hand te werken. Daarbij richten mensen zich vooral op uitkomsten waar ze mee kunnen ‘scoren’. Alles wat zich niet gemakkelijk laat meten, krijgt minder aandacht. Toch is er toenemende consensus dat een bredere waaier van criteria nodig is om belangrijke prestaties en bijdragen aan de wetenschap te erkennen en te waarderen. Zoals het opleiden en begeleiden van jonge onderzoekers.

Wie juist dat soort zaken belangrijk vindt, raakt ontmoedigd, en verdwijnt uit de wetenschap, zo laat onderzoek onder Nederlandse wetenschappers zien. Dit is in strijd met internationale inspanningen om de criteria voor de beoordeling van wetenschappelijk werk te verbeteren, en ondermijnt de inzet om diversiteit van personen en perspectieven te vergroten.

Lees ook het Commentaar van NRC: Integriteit zit niet in een code maar in een cultuur

Ten derde blijkt de nadruk op competitie de sociale veiligheid op de werkvloer te verlagen, en wetenschappelijk wangedrag in de hand te werken. De schaarste aan middelen en posities, en de druk om ‘grote prijzen’ binnen te halen, kan zo groot zijn dat mensen dingen gaan doen die ze onder andere omstandigheden nooit zouden goedkeuren. Dat omvat meer dan de duidelijke voorbeelden van plagiaat of datafabricatie. Als mensen ‘alles’ doen om (zelf of als team) te winnen, leidt dat ook tot het oppoetsen van resultaten, sabotage van ‘concurrenten’, ingrijpen in het proces van peerreview, of rommelen met de naamsvermelding van betrokken onderzoekers. Ook dit blijkt uit diverse onderzoeken. Wetenschappelijke competitie benadrukken en wetenschap als topsport presenteren, gaat daarmee in tegen de breed gevoelde wens om sociale veiligheid en wetenschappelijke integriteit te vergroten.

Goed op stoom

Dit zijn allemaal bekende nadelen van competitieve systemen. Maar levert ‘wetenschap als topsport’ dan misschien betere resultaten op? Helaas: zelfs dat niet. Onderzoekers zijn bijvoorbeeld niet aantoonbaar productiever in landen waarin het systeem om onderzoeksmiddelen te verdelen hen dwingt om met elkaar te concurreren, dan in landen waar dit minder het geval is. En op de leeftijd dat de gemiddelde topsportcarrière wordt afgesloten, komt menig wetenschapper pas goed op stoom.

Lees ook dit artikel: De werkdruk is hoger dan ooit en daar verandert voorlopig niets aan

Wetenschappelijke vooruitgang is gebaat bij open kennisdeling, diversiteit van inzichten, sociale veiligheid, en wetenschappelijke integriteit. Dit zijn allemaal thema’s waarin NWO wil investeren – dat vraagt om een passend werkklimaat. Wetenschappelijke nieuwsgierigheid en de urgentie van maatschappelijke problemen zijn voor de meeste onderzoekers meer dan voldoende reden om zich volledig in te zetten, en langdurig naar de beste oplossingen toe te willen werken.

Wetenschap gaat over wat wij nog niet weten. Soms wordt pas jaren later duidelijk wat de betekenis van bepaalde ontdekkingen is geweest, of wie daaraan de grootste bijdrage heeft geleverd. De uitdagingen waar onderzoekers voor staan, vragen een werkklimaat waarin ‘scoren’, ‘winnen’, en ‘een plek op het podium’ ondergeschikt zijn aan het uitwisselen van kennis en kunnen vertrouwen op gedeelde wetenschappelijke principes. Een competitief klimaat dat wordt gevoed door de topsportmetafoor doet daarbij meer kwaad dan goed.