Proosten met cola

Lopend vuurtje Dennis Boxhoorn noteert in Tokio wat hem opvalt tijdens de Olympische Spelen.
Lopend vuurtje

Al weken, misschien zelfs maanden, waren de Olympische Spelen het eerste en het laatste wat ik dagelijks bepeinsde. Al het andere vervaagde tot ruis, als bij een prille verliefdheid. Naarmate het moment van afreizen dichterbij kwam, sliep ik slechter.

Ik herkende de tunnel. Als kind vernauwde mijn werkelijkheid als er een atletiekwedstrijd zat aan te komen. Dan at ik slecht, kreeg ik diarree. Vooral van hoogspringen werd ik benauwd. Dat onderdeel eindigde altijd met drie foutsprongen – falen in mijn ogen.

Ik wilde mijn dochter Tokio tonen, zij: ‘ik ga naar de dierentuin’

Van relativeren kwam het niet meer. Ik moest presteren. Het was mijn manier om mijn zelfvertrouwen op te bouwen en de man te bedanken die zich als peuter over mij ontfermde toen degene die dat eigenlijk had moeten doen zich beschonk.

Met eenzelfde fanatisme stapte ik in Tokio in een taxi, op weg naar een historische openingsceremonie. In Nederland was het negen uur ’s ochtends, en voor het eerst deze week belde ik met mijn dochter van zes. Ze verscheen grijnzend in beeld. Ik wilde haar de skyline laten zien en over de Spelen vertellen, maar ze onderbrak me, en dat had niets te maken met de vertraging op de lijn. „Ik ga zo naar de dierentuin”, zei ze enthousiast.

Later die avond kwam op de perstribune een Italiaanse journalist naast me zitten, Massimo. Toen het vuurwerk losbarstte, belde hij naar huis. „Mes filles”, verzuchtte hij toen hij had opgehangen. We proostten met cola op hen om wie het echt gaat.