Een droomparadijsje, omarmd door de afrit van de A1 naar de A50

Groen Prachtig zijn ze, die kleine natuurgebieden bij snelwegen, vindt . Maar je kunt er niet komen, dus wat is hun doel?

Begrensd door verkeerspleinen en wegen gedijen planten en dieren, onbereikbaar voor het publiek, ongestoord.
Begrensd door verkeerspleinen en wegen gedijen planten en dieren, onbereikbaar voor het publiek, ongestoord. Foto Johan Nebbeling

Wuivend riet en witte wolken in een blauwe lucht weerspiegeld in het water. De kleine rimpelingen aan het oppervlak doen de aanwezigheid van talrijke visjes en waterinsecten vermoeden. Op het water, omlijst door een kleurrijk palet van groengeel grasland, roze koekoeksbloemen, witte margrieten en rode klaprozen, drijven watervogels. Een waakzame kievit patrouilleert langs de grenzen van zijn territorium.

Ach, wat zou ik graag even op dit verlokkende plekje neerstrijken! Met een kleedje en een picknickmand om, ontspannen op mijn rug liggend, de wolken boven mij te zien wegdrijven. Onmogelijk, helaas! Want deze kleine groene oase is tegelijk een fata morgana: zichtbaar, maar onbereikbaar.

Mijn droomparadijsje wordt omarmd door de boog van de afrit van de A1 naar de A50 bij verkeersknooppunt Beekbergen en is omgeven door een web van asfalt. Ontoegankelijk voor gewone mensen, die er alleen vanuit de auto even een korte blik op kunnen werpen. En dan: áls ik er al kon komen – met gevaar voor eigen leven de snelweg overstekend – zou mijn idylle ruw worden verstoord door het lawaai van het op luttele meters afstand langsrazend wegverkeer.

Honderden van dit soort mininatuurgebiedjes telt Nederland, bij op- en afritten van snelwegen en rond verkeersknooppunten; onopvallend en in zichzelf gekeerd, amper opgemerkt door de langsrazende automobilist die zijn ogen op de weg moet houden. Soms geaccentueerd door een rijtje bomen, bijna altijd rond een met riet omzoomd watertje.

Hun bestaan intrigeert me al langere tijd mateloos. Wat is hun functie? Wie ontwerpt ze en met welk doel? Wat groeit er eigenlijk? Vragen waarop Jan Willem de Jager en Peter-Jan Keizer de antwoorden weten. De eerste is adviseur ruimtelijke kwaliteit bij Rijkswaterstaat, de tweede ecoloog bij dezelfde organisatie. Ik ga vandaag met ze op pad.

Biologische minischatkamers

Er ligt een puur pragmatische reden ten grondslag aan het bestaan van die kleine oases, gooit De Jager mijn romantische droombeeld aan diggelen: waterberging. „Bij een hoosbui valt er een enorme sloot water op de weg. Die moet je, uit het oogpunt van verkeersveiligheid, zo snel mogelijk afvoeren. Daarvoor dienen die gebiedjes.”

Maar grond is schaars in Nederland, een snelweg mag best een beetje aardig ogen – Rijkswaterstaat heeft daar een speciale afdeling voor – en áls je iets voor natuur en landschap kunt doen, waarom zou je dan functies niet combineren, zoals we dat in Nederland gewend zijn? Dus én waterberging én verfraaiing van het landschap én ruimte voor de natuur; beperkt natuurlijk, want groter dan een paar hectare is zo’n gebiedje nooit.

Die verschillende functies blijken ook nog eens heel goed samen te gaan, zegt ecoloog Keizer. „Er komt nooit iemand, omdat die gebiedjes ontoegankelijk zijn voor het publiek. Als je er zonder toestemming gaat rondstruinen, word je binnen een half uur met een boete weggestuurd door een inspecteur van Rijkswaterstaat. De natuur kan er dus vrijwel ongestoord haar gang gaan, wat in een dichtbevolkt land als Nederland behoorlijk uniek is.”

Het gevolg: die kleine, vaak onopgemerkte gebiedjes zijn ware biologische minischatkamers, waar talrijke planten en dieren ongestoord kunnen gedijen. Zeldzame insecten, zoals de graafbij en de sluipwesp, vlinders, zoals het hooibeestje en de kleine vuurvlinder, libelles, maar ook (water)vogels en planten vinden er een veilig toevluchtsoord. Keizer: „Het hangt een beetje van de grondsoort af, maar ik ken gebiedjes waar meer dan veertig soorten planten op zestien vierkante meter groeien.”

Dieren raken snel gewend aan het langsrazend verkeer en laten zich er niet door afschrikken. Omgekeerd heeft het verkeer meestal geen hinder van de dieren; alleen ganzen en zwanen kunnen soms overlast veroorzaken omdat ze zo langzaam opstijgen. „Dat is vanwege de verkeersveiligheid ongewenst. Door hoge begroeiing te planten of palen te plaatsen langs de randen, proberen we ze te dwingen sneller op te stijgen”, zegt De Jager.

Ecoloog Peter-Jan Keizer van Rijkswaterstaat (links) met adviseur ruimtelijke kwaliteit Jan Willem de Jager (rechts).

Foto Johan Nebbeling

Kikkerdril

Maar in Nederland is natuur nooit zomaar natuur – en dat geldt ook voor de natuur rond de snelweg. Hoe ‘natuurlijk’ die groene oases ook ogen, ze zijn ontworpen op de tekentafel. Het ontwerp moet én voldoen aan de primaire doelstelling van wateropvang én landschappelijk passend en aantrekkelijk zijn én ruimte bieden aan de ontwikkeling van de natuur én het beheer zo eenvoudig en goedkoop mogelijk maken. Best complex. Vroeger had Rijkswaterstaat daar een eigen ontwerpafdeling voor, tegenwoordig wordt die klus uitbesteed aan gespecialiseerde landschappelijke bureaus.

Aan de aanleg komt veel graafwerk van mannen met bulldozers en kranen te pas. De waterpartij moet worden aangelegd, vaak in wat De Jager ‘een Barbapapa-vorm’ noemt, een natuurlijk ogend, meanderend watertje met inhammen waar dieren zich kunnen schuilhouden. De grond moet worden afgegraven tot op de oorspronkelijke bodemlagen. „Dan krijg je de gelaagdheid in de bodem terug die nodig is voor die grote variatie in soorten.”

Als je niets doet, is zo’n gebied binnen vijf jaar dichtgegroeid

Daarmee is het niet klaar, want zonder goed beheer zouden de meeste snelwegoases binnen de kortste keren worden overwoekerd door ongewenste snelgroeiende soorten, zoals de Amerikaanse vogelkers, en blijft er niets over van het open en ‘natuurlijke’ beeld.

„Goed beheer is essentieel”, zegt Keizer: „Minimaal een keer per jaar moet er worden gemaaid en het hooi moet worden afgevoerd om verstikking van de ondergrond te voorkomen. De ongewenste, snelgroeiende planten en struiken halen we weg om te voorkomen dat ze de overhand krijgen. Als je niets doet, is zo’n gebied binnen vijf jaar dichtgegroeid.”

Natuurgebiedje bij verkeersplein Beekbergen.

Foto Johan Nebbeling

Amerikaanse parkway

We rijden verder langs de A1, die zich als een ware Amerikaanse parkway loom door het heuvelachtige landschap van de Veluwe slingert. De Jager is er zichtbaar trots op dat hij medeverantwoordelijk is voor het ontwerp. Hij wijst op inkepingen in het talud waardoor de achterliggende eeuwenoude bomenstructuren zichtbaar zijn en moppert. „Die dennen moeten weg. Ze benemen het zicht op de laanbomen erachter.”

Iets voorbij Radio Kootwijk verlaten we de snelweg en parkeren de auto onder het viaduct van de N302. Even later kijken we uit over een kale zandvlakte met hier en daar een oude dennenboom. Links en rechts raast het verkeer in een oneindige stroom voorbij.

Onooglijk, is mijn eerste indruk. Toch vindt hier, in het niemandsland tussen de uit elkaar liggende rijbanen, een bijzonder en uniek experiment plaats. Het is het laatste kindje van Keizer – over drie jaar gaat hij met pensioen.

„De dennenbomen die hier stonden, hebben we weggehaald en de grond afgeplagd. Zo ontstaat een habitat van karige zandgrond waar maar weinig, maar wel heel bijzondere planten, zich thuis voelen. Dit is het meest voedselarme gebied in Nederland, hier wil bijna niets groeien. In zekere zin brengen we, op deze strook van tachtig meter breed en twee kilometer lang, de Veluwe van vroeger terug.”

Ook dit project vloeit in eerste instantie voort uit functionaliteit. Het verkeer op de A1 werd en wordt geregeld gehinderd door bosbranden. Op last van de brandweer moesten de dennen tussen de rijstroken worden gekapt om de kans op overslaan van de brand te verkleinen. Dat bood Keizer de kans hier zijn plannen te verwezenlijken.

Spectaculair of lieflijk is het niet. Je moet er oog voor hebben om het bijzondere ervan te zien. „In tegenstelling tot die gebiedjes bij verkeerspleinen zal de soortenrijkdom hier beperkt zijn. Maar het gaat niet om hoeveel er groeit maar wát er groeit.”

Keizer wijst op de lage, onaanzienlijke, kennelijk uitgedroogde plantjes op de zanderige bodem. „Dat zijn korstmossen, heel kwetsbaar. Als je eroverheen loopt, verpulver je ze. Je vond korstmossen vroeger overal op de Veluwe, maar ze zijn door de recreatiedruk en omdat het open zand is dichtgegroeid op veel plaatsen verdwenen.”

Hij hoopt dat de mossen, die spontaan aan zijn komen waaien, zich kunnen handhaven en dat ook andere planten die gedijen op zeer voedselarme gronden er een plekje vinden. „Pas begin dit jaar is de herinrichting van dit gebied klaar, maar ik zie dat het de goede kant op gaat. Al moeten we dat grijs kronkelsteeltje, een invasief mos uit Zuid-Afrika, goed in de gaten houden. Voor je het weet, overwoekert dat de andere mossen.”

Insecten en vogels hebben het gebied ook al ontdekt. Keizer wijst op de gaatjes in de grond, een aanwijzing dat zich daar graafbijen hebben gevestigd. Een sluipwesp zigzagt op zoek naar prooi, een hooibeestje (vlinder) fladdert rond een boom, een boomleeuwerik zingt. Grotere dieren zijn, vanwege de geïsoleerde ligging, niet snel te verwachten. Die zouden bij een oversteek meteen platgereden worden, weet Keizer. „Al zou het me niet verbazen als de zandhagedis dit gebied toch weet te bereiken.”

Ook voor dit gebied geldt: beheer is alles. Wijzend naar zijn collega De Jager, die met rood aangelopen hoofd een weerbarstig jong dennenboompje uit de grond rukt: „Het volstaat om met een of twee man een paar keer per jaar de opschietende planten, struiken en bomen te verwijderen die je niet wilt. Stelt niks voor, maar je moet het wel doen. Anders staat het over een paar jaar weer vol met dennenbomen en kun je overnieuw beginnen omdat alle bijzondere planten zijn verdwenen.”

Correctie 17 augustus: In een eerdere versie stond de naam van Peter-Jan Keizer enkele keren gespeld als ‘Keijzer’. De functie van Jan Willem de Jager is adviseur ruimtelijke kwaliteit, niet ruimtelijke ordening.