Opinie

De prijs van principes dringt steeds verder door in bedrijfsleven

Ben & Jerry’s

Commentaar

‘Wij geloven dat het niet te rijmen is met de waardes van Ben & Jerry’s om ijs te verkopen in Bezet Palestijns Gebied. We horen en herkennen de zorgen die onze fans en partners met ons delen.” Met deze twee zinnen wierp de als idealistisch en activistisch bekend staande ijsmaker uit het Amerikaanse Vermont zich vorige week midden in één van de meest gevoelige geopolitieke dossiers ter wereld: het conflict tussen Israël en Palestina.

In essentie gaat het om een simpele redenering: Israël bezet sinds 1967 op illegale gronden Palestijns gebied. De Veiligheidsraad veroordeelde deze „flagrante schending van het internationaal recht” sinds 1979 al zes keer. Israël heeft deze en andere internationale veroordelingen altijd naast zich neergelegd met een beroep op de eigen veiligheid. De bouw van steeds meer nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook is doorgegaan, de mensenrechten van de Palestijnen die daar wonen, zijn met voeten getreden.

Ben & Jerry’s doet nu waartoe de Verenigde Naties al in februari 2020 een oproep deden: stop met zakendoen met de bezette gebieden. Volgens de VN zijn die nederzettingen, waar inmiddels ruim 600.000 joodse kolonisten wonen, illegaal en kunnen dus ook commerciële contacten daarmee dat zijn. Het besluit van Ben & Jerry’s wordt dus gedekt door de internationale gemeenschap, en toch is het bijzonder dat een bedrijf, dat afhankelijk is van omzet en winst voor zijn voortbestaan, deze stap nu zet.

Op de achtergrond speelt mee dat Ben & Jerry’s al maanden wordt bestookt door activisten van de zogenoemde Boycot, Desinvesteringen en Sancties-beweging. Deze BDS-beweging is een belangengroep die zich verzet tegen de Israëlische bezetting van Palestijns gebied.

Voor het moederbedrijf van Ben & Jerry’s, levensmiddelengigant Unilever, is de weigering nog langer ijs te verkopen in bezet Palestijns gebied een regelrecht hoofdpijndossier. Niet zozeer vanwege de misgelopen omzet in het gebied, die is op mondiale schaal verwaarloosbaar, maar vanwege de mogelijke fall-out ervan naar andere Unilever-merken.

Daags na de aankondiging hing de Israëlische premier Bennett al aan de telefoon met Unilever-topman Alan Jope. Bennett dreigde met tegenacties. En voormalig premier Netanyahu riep op Twitter dat „we nu in elk geval weten welk ijs we NIET moeten kopen”. Jope distantieerde zich niet van de verklaring, maar benadrukte dat de ijsmaker actief blijft in Israël. De vraag is of dat voldoende is om klanten wereldwijd te behouden.

Bij eerdere gelegenheden – de ijsmaker stak al eerder zijn nek uit in kwesties rondom het klimaat, Black Lives Matter en sociale ongelijkheid – leverde Ben & Jerry’s scherpe activistische aanpak ook voordelen op voor Unilever. De ijsmaker, die een grote mate van autonomie bedong bij de overname door Unilever in 2000, kon het risico nemen en principiële standpunten innemen, Unilever kon directe verantwoordelijkheid voor het activisme vermijden, maar profiteren van de publiciteit.

De grote vraag die nu op het bordje van Unilever ligt is of het achter de ijsmaker blijft staan. Dat zal, hoe cynisch ook, een bedrijfseconomische afweging zijn. Weegt het risico op omzetverlies op tegen de voordelen van de aandacht? Los daarvan is het goed dat ook bedrijven zich in toenemende mate met maatschappelijke kwesties bemoeien, of dat nou het klimaat, racisme of mensenrechtenschendingen zijn. Zich bewust zijn van het internationaal recht zou daarbij een vanzelfsprekende ondergrens moeten zijn.

Correctie (28/7): In een eerdere versie van dit Commentaar stond dat de BDS-beweging van oorsprong Amerikaans is. Dat klopt niet, de belangengroep is oorspronkelijk Palestijns. Dit is aangepast.