Reportage

De Koloniën van Weldadigheid: van utopie naar plek van verdriet

Werelderfgoedlijst De Koloniën van Weldadigheid werden in de 19de eeuw gebouwd om bedelaars, zwervers en arme gezinnen een eigen stukje grond te geven. Maar ze werden een soort gevangenis. Deze ‘lelijke’ geschiedenis is nu opgenomen op de Werelderfgoedlijst van Unesco.

Frederiksoord, een van de voormalige Koloniën van Weldadigheid, die maandag op de Werelderfgoedlijst van Unesco werden geplaatst. Frederiksoord werd in 1818 gebouwd met als doel om ‘paupers’ uit de grote steden een beter bestaan te geven op het platteland.
Frederiksoord, een van de voormalige Koloniën van Weldadigheid, die maandag op de Werelderfgoedlijst van Unesco werden geplaatst. Frederiksoord werd in 1818 gebouwd met als doel om ‘paupers’ uit de grote steden een beter bestaan te geven op het platteland. Foto Sake Elzinga

Zelden is er in de geschiedenis op zo’n merkwaardige wijze aan armoedebestrijding gedaan als twee eeuwen geleden in de Koloniën van Weldadigheid. Drie van de zeven voormalige binnenlandse nederzettingen zijn maandag door Unesco op de lijst van Werelderfgoed geplaatst: de Drentse koloniën Wilhelminaoord-Frederiksoord, waar het experiment in 1818 begon, de bedelaarskolonie Veenhuizen, die zou uitgroeien tot gevangenisdorp, en het Vlaamse Wortel. Andere koloniën zijn niet gaaf genoeg meer om in de status te delen. De Koloniën van Weldadigheid hebben de erkenning te danken aan het voor die tijd unieke concept om stedelijke ‘paupers’ naar het platteland te verplaatsen en daarmee een beter leven te bezorgen, maar ook aan het landschap dat van dat streven de uitdrukking is: overzichtelijk gebouwde boerderijen, koloniewoninkjes, gestichten en dienstwoningen, rechte lijnen voor akkers in het ontgonnen land dat voedsel moest leveren.

De binnenlandse koloniën staan model voor het vooruitgangsdenken in het begin van de negentiende eeuw. De sociaal bewogen initiatiefnemer Johannes van den Bosch wilde, met steun van het Koninkrijk der Nederlanden, de armen uit de steden „opbeuren uit eene diepe zedelijke verbastering en opvoeden tot eene hogere beschaving, verlichting en werkdadigheid”. Van den Bosch, een militair, was in zijn carrière minister van buitenlandse koloniën, commissaris-generaal in Suriname en gouverneur-generaal in Nederlands-Indië. De nederzettingen werden gesticht in een tijd van economische malaise en hebben ongeveer een eeuw bestaan. Ze gelden als voorbeeld van hoe optimistische idealen kunnen verkeren in hun tegendeel. Er is veel geleden in de koloniën. Er was onrust, criminaliteit, onvrijheid. Voor sommigen was het leven „een nachtmerrie” staat ergens te lezen in het dossier van de nominatie voor Unesco. „Van utopie worden de Koloniën voor velen een plek van verdriet.”

Woeste gronden

In Frederiksoord, waar de eerste ‘proefkolonie’ werd gesticht, zijn de sporen van het negentiende-eeuwse vooruitgangsdenken nog goed te ontwaren. Hier staan nog altijd de rietgedekte boerderijtjes en de woningen van de toezichthouders. Hier waren door de Maatschappij van Weldadigheid van Johannes van den Bosch woeste gronden aangekocht; het landschap werd ingericht om enerzijds voedsel te verbouwen en anderzijds de nieuwe bewoners te disciplineren, te resocialiseren, te verheffen.

Waar veel voormalige stedelingen nooit hadden gewerkt, kregen ze hier een schema van werkzaamheden dat vanaf vijf uur ’s ochtends begon, was er voor jongens en meisjes verplicht onderwijs, betaalden de gedeporteerde stedelingen zelf mee aan een systeem van gezondheidszorg, en bestond er zelfs ouderenzorg. „Ze liepen ver vooruit op de rest van Nederland”, zegt Bob Veldman, voorzitter van Weldadig Oord, een stichting met ruim honderd ondernemers en instellingen in de voormalige koloniën. „Lang voordat Willem Drees met z’n AOW kwam, hadden de bejaarden hier al een uitkerinkje. Dit was in feite de kiem van wat later de verzorgingsstaat zou worden.”

Lees ook: Plaats op Werelderfgoedlijst is zowel lust als last

Frederiksoord was de eerste kolonie waar, dankzij donaties van stedelijke elites, jonge gezinnen werden geplaatst die het met hard werken en voorbeeldig gedrag konden schoppen tot vrije boer, of tot opzichter over nieuwe weggestuurde stedelingen. Ze kregen een kolonistenhuisje met inventaris in bruikleen en enkele hectaren grond, waar boekweit, rogge, kool en bonen en vlas werden verbouwd, een deel ervan voor eigen gebruik, later ook aardappelen. Ook kregen ze een koe. Ze werden verondersteld in zestien jaar hun schulden af te betalen.

De kolonisten werden nauwlettend gevolgd, vertelt Veldman tijdens een tocht langs de boerderijtjes, de voormalige gaarkeuken, de tuinen van de oudste en inmiddels opgeheven tuinbouwschool van Nederland, en de woningen van de controlerende wijkmeesters. Veldman: „Die wijkmeesters konden elk moment de woninkjes binnenlopen. Om te kijken of je het huis wel had schoongemaakt. Of om te controleren of je niet stiekem de meubeltjes in bruikleen had verkocht om met de opbrengst drank te kopen.”

Een woning uit Veenhuizen dat behoort tot een van de voormalige Koloniën van Weldadigheid. Foto Sake Elzinga

Verstandelijk of lichamelijk beperkten

Een daverend succes zijn de koloniën niet geweest. Daar zijn verschillende oorzaken voor, vertelt historica Wendy Schutte, adviseur erfgoed en ruimte bij de provincie Drenthe die de nominatie na jaren onderzoek, overleg en lobby tot een goed einde heeft weten te brengen. Lang niet iedereen die uit de steden werd overgeplaatst kon werken. In de koloniën werden bijvoorbeeld gaandeweg steeds meer verstandelijk of lichamelijk beperkten ondergebracht. Bovendien rendeerden de koloniën onvoldoende om zelfvoorzienend te kunnen zijn, en moesten de steden en ook het koninkrijk financiële tekorten aanvullen. De kolonisten slaagden er trouwens ook zelf vaak niet in hun schulden af te betalen, zodat ze feitelijk gevangen zaten. Daarbij kwam ook het gebrek aan succes bij het disciplineren van de ‘paupers’: velen vluchtten in sterke drank; er was criminaliteit en er waren sociale spanningen; niet alleen onder de kolonisten onderling, maar ook met de omgeving.

Zo kwam het tot de bouw van ‘onvrije’ koloniën, waarvan Veenhuizen het grootste en best bewaarde voorbeeld is. Op negenhonderd hectaren tussen het hoogveen en het esdorpenlandschap woonden duizenden mensen in drie ‘gestichten’, niet in gezinsverband maar gezamenlijk. Ze vertrokken elke dag samen naar de landerijen, wandelend langs woningen van personeel en gebouwen voorzien van vermaningen en spreuken zoals ‘orde en tucht’, maar ook verwijzend naar de functie van de gebouwen zoals ‘bitter en zoet’ voor de apotheek.

Het leven van de tewerkgestelden werd nauwgezet gevolgd, de bewoners werden uitputtend bestudeerd en gemeten, tot de lengte van hun oren en neuswortel aan toe, en veel werd schriftelijk vastgelegd in archieven. Tot de geschiedkundige schatten behoren ook de schaftlijsten, waarop het menu voor de gevangenen staat vermeld. „De koloniën waren een uitgekiend systeem”, stelt Wendy Schutte tijdens een tocht door Veenhuizen, langs de directeurswoning en het verenigingsgebouw om personeel ontspanning te bieden, het logeerhuis voor rijksambtenaren uit Den Haag die de werkzaamheden kwamen registreren, de protestantse en de katholieke kerk, de synagoge, de graanmaalderij en natuurlijk de landerijen.

Eén op de zestien Nederlanders heeft voorouders in de binnenlandse koloniën gehad. Kunnen we trots zijn op deze geschiedenis? „Een goede vraag”, zegt Wendy Schutte. „Het vooruitstrevende idee voor de koloniën was op zichzelf geweldig. Later bleken grote groepen de kolonie nooit meer te kunnen verlaten, omdat ze de schulden niet konden terugbetalen. Ze zaten vast. Al met al geeft het bestaan van de koloniën blijk van zo’n waanzinnige en wonderbaarlijke poging om het volk te verheffen, dat je daar ook wel weer trots op kunt zijn.”

Drie jaar geleden, vertelt Schutte, werd de voordracht van de koloniën door Unesco nog afgewezen: niet alleen waren het landschap en de gebouwen niet overal bewaard, ook had Unesco moeite met het onderscheid tussen vrije en onvrije koloniën. „Er was discussie binnen Icomos, het adviesorgaan van Unesco, over de vraag of het totale experiment van de Koloniën van Weldadigheid, met vrije en onvrije koloniën en dus ook monumentale gevangenissen met moderne toevoegingen daaraan, wel op de werelderfgoedlijst zou passen.” Helemaal duidelijk is dit argument niet, stelt Schutte vast, en Icomos en Unesco zijn wat betreft de koloniën dan ook van de eerdere kritiek terug gekomen; werelderfgoed hoeft niet mooi te zijn, het gaat om de uitzonderlijke en universele betekenis – zelfs het concentratiekamp Auschwitz staat op de lijst.

Intussen zijn de huidige bewoners van de koloniën drukdoende iets van dit verleden in herinnering terug te roepen. Zo verbouwt akkerbouwer John Mensinks uit Wilhelminaoord sinds een paar jaar boekweit, het gewas dat van oudsher door de kolonisten op de schrale grond werd verbouwd. „Je kunt er brood en pannenkoeken van bakken. En de vliesjes kunnen in kussens worden verwerkt.” Mensink stamt af van de kolonisten en is trots op zijn gewas. „Met boekweit is het begonnen. Zo is de cirkel rond.”

Bewoners bij een koloniewoning in Frederiksoord rond 1930 Foto Stichting Maatschappij van Weldadigheid