Recensie

Recensie Muziek

Op het Delft Chamber Music Festival is vooral de daadwerkelijke kamermuziek sterk

Na een erg verkleinde editie vorig jaar lijken de twintig voorstellingen op het Delft Chamber Music Festival dit jaar een ongekende rijkdom. Het experimentele Vuurspel komt echter slecht uit de verf.

Delft Chamber Music Festival. ‘Het Eeuwige kind’ in Van der Mandelezaal
Delft Chamber Music Festival. ‘Het Eeuwige kind’ in Van der Mandelezaal Foto Melle Meivogel

Vorig jaar stonden de stoelen in de Van der Mandelezaal, de met glas overdekte binnenplaats van Museum Prinsenhof in Delft, nog in een cirkelopstelling. Op die manier pasten er vijfenvijftig mensen in de zaal. Dit jaar staan de stoelen weer ‘gewoon’ gericht naar een podium: 96 passen er nu. Nog lang niet de oorspronkelijke vierhonderd.

Dit jaar telt het blokkenschema twintig voorstellingen die in acht dagen (twee keer donderdag tot en met zondag) kriskras herhaald worden. Dat is fijn voor wie moeite heeft met de keuzestress van een ‘normaal’ festival.

Musici spelen veelal in meerdere programma’s, waarbij het alles door elkaar heen herhalen, veel van ze moet vergen. De afscheid nemende violiste Liza Ferschtman, die in maar liefst acht van de tien programma’s in het eerste weekend speelt, oogt dan ook wat gespannen (al zou dat ook een illusie door de bril van medeleven kunnen zijn). In Sjostakovitsj’ 15e symfonie, bewerkt voor kamermuziekensemble, vindt ze dan ook soms net geen rust in de fraseringen en stuwt ze wat snel vooruit. Gelukkig zijn het de drie slagwerkers die dit stuk maken. Waarom het Viktor Derevianko ooit een goed idee leek geleken om een bewerking zonder blazers te maken blijft onduidelijk, maar in dat bijzondere einde, die plotseling levensecht klinkende speelgoedwinkel, razen ook hier de rillingen over je rug.

Lees ook: ‘Eigenlijk wilde ik in mijn eentje stiekem een klein Holland Festival maken’

Tenor Robin Tritschler heeft ook een hoofdrol, zingend in drie programma’s. Vooral in Ten Blake Songs van Ralph Vaughan Williams weet hij, begeleid door hoboïst Olivier Stankiewicz, menigeen te ontroeren. Hij heeft standaard een wat geknepen, maar toch prettige hoogte en weet precies waar hij zijn stem moet openen om een woord plots te laten stralen.

Hoogtepunt is het Phantasy Quartet van Benjamin Britten, waarin Stankiewicz een prettige stem is bij drie strijkers (violiste Esther Hoppe, altvioliste Jennifer Stumm en cellist Ivan Karizna). Ze zijn wonderlijk goed op elkaar ingespeeld. Prachtig geven ze muzikale lijnen aan elkaar door, waarin ze niet alleen elkaars noten, maar ook elkaars muzikale interpretatie imiteren, die zo steeds een tijd blijft door echoën.

Het hoort bij de festival-ervaring om ook een voorstelling uit te kiezen die in het festivalboekje heel wat lijkt, maar in werkelijkheid vreselijk tegenvalt. De voorstelling Vuurspel, een soort liedrecital+ rond Prometheus, biedt zo’n ervaring. Hier werd niet alleen gezongen, maar ook min of meer geacteerd en gelardeerd met wollige teksten van onder andere Albert Camus en Heinrich Heine. Een vernieuwing van het genre is leuk, maar regisseur Klaus Bertisch levert juist argumenten vóór het stoffige imago van het liedrecital door acteur Krisjan Schellingerhout, sopraan Karin Strobos en bariton André Morsch vermoeiend pathetisch te laten acteren. Een uur lang is elke beweging, elke aanraking (ja, streel de pilaar nog maar een keer), elke gesproken zin ‘veelbetekenend’. De langwerpige ruimte in ArsenaalDelft, bakstenen muren en vloer, laag houten plafond, maakt alles luid.

Dat de zangers door de hele ruimte lopen maakt de liederen van Hugo Wolf, Francis Poulenc en Fant de Kanter totaal onverstaanbaar. Hadden we nou maar een blaadje met vertalingen kregen. Alleen wie thuis de teksten uit z’n hoofd had geleerd, kon misschien iets met deze sentimentele puzzel.