Interview

Ook achter de woorden lullo en aso zit een systeem

Camiel Hamans | taalkundige Hoe ontstaan woorden als alto, weirdo en Brabo? „Het werd een succes omdat het voldeed aan de regels.”

Camiel Hamans promoveerde deze zomer op de systematiek en geschiedenis van ingekorte woordjes als aso, weirdo, Brabo en in elkaar geschoven samenstellingen als infotainment en halvarine.

„Die werden altijd gezien als oddities”, zegt hij. „Willekeurige verschijnselen waar de echte taalkundige, op zoek naar systematiek en patronen in taal, zich niet mee bezig hoeft te houden.”

Maar zo simpel is het niet. Want ook deze woorden ontstaan volgens zeer strikte regels. De sprekers van het Nederlands zijn zich daar niet van bewust, maar handelen er wel naar.

Wat is de systematiek achter Indo, homo, aso, provo, Afro, alto, dumbo, weirdo, lesbo, Brabo, Limbo, lullo, positivo?

„Het begon ermee dat ik ooit dacht: wat raar, in aso zit die o al, want aso komt van asociaal, maar in alto niet, want dat komt van alternatief. Hoe zit dat?

„De oudste woorden van dit type zijn Indo, homo en provo. Indo vind je voor het eerst in 1917, en provo is natuurlijk uit 1965. In alle drie zat die o al in het oorspronkelijke woord: Indonesisch, homoseksueel, provoceren. Het zijn tweelettergrepige woorden geworden, met de klemtoon op de eerste lettergreep. En het zijn heel informele woorden, Indo en homo hadden zelfs ooit een negatieve lading.

„Goed, wat denkt de taalgebruiker vervolgens? Die ziet telkens die -o, die toevallig in die woorden zit, en concludeert dan dat die -o een bepaalde betekenis heeft: het gaat om personen, het is altijd informeel, en doorgaans negatief.

Je neemt gewoon een eenlettergrepig woord, duf, lul, bril en zet daar een o achter

„Die -o wordt opeens een soort uitgang, waarmee je nieuwe woorden kunt maken: informele woorden over personen. Door telkens van bepaalde woorden de eerste lettergreep te nemen en daar een -o achter te plakken. Afrikaans: Afro. Alternatief: alto. Lesbisch: lesbo.

„Dat ontwikkelt zich vervolgens verder. Op een gegeven moment kan het ook zonder afkorten. Je neemt dan gewoon een eenlettergrepig woord, lul, duf, bril en zet daar een o achter: lullo, duffo, brillo. Een brillo is een brildrager.”

Lullo is bedacht, voor de grap. Door Jiskefet.

„Dat maakt niet uit. Het werd een succes omdat het voldeed aan de regels, aan het patroon.

„Daarna heeft het zich nóg verder ontwikkeld. In de gemeentepolitiek werden de vertegenwoordigers van de lokale partijen op gegeven moment negatief aangeduid met: lokalo. En je vindt op het internet mensen die zichzelf een gewono noemen. ‘Ik ben maar een gewono.’ Dus je kunt nu ook twéé lettergrepen nemen en daar een -o achter plakken.

„Wat ook interessant is: je hebt al een tijdje Limbo en Brabo, maar nu kom je soms ook Zebo tegen: iemand uit Zeeland. Dat -bo wordt zelf ook weer een betekenisvolle uitgang: voor mensen die zogenaamd uit achterlijke gebieden komen.”

Maar die -o is toch ook komen overwaaien uit andere talen?

„Het Amerikaans-Engels heeft die -o ook. Daar is het waarschijnlijk voortgekomen uit het Engels van Italiaanse immigranten. In het Italiaans is -o natuurlijk een heel normale uitgang, voor heel veel woorden. Het Nederlands had die -o zelf al. Maar de invloed van het Engels heeft het verschijnsel hier versterkt.

„In het Engels kreeg je al twintig jaar eerder dan in het Nederlands heel veel van die vormen: weirdo, dumbo, kiddo. Sommige daarvan kwamen ook in het Nederlands terecht. Dumbo bijvoorbeeld. Dat werd: dombo.”

Bij blending ligt de klemtoon altijd op het laatste deel

Je proefschrift gaat ook over ‘blending’: het in elkaar schuiven van woorden. Infotainment, brusjes, halvarine...

„Ook dat werkt volgens een strikte systematiek. Je neemt twee woorden. Bijvoorbeeld informatie en entertainment. Die wil je samenvoegen. Dan moet je eerst vaststellen: welke van die twee is het belangrijkst? Nou, aangezien het om tv gaat is entertainment het belangrijkst. Het gaat om een vorm van entertainment. Dus dat levert het tweede deel van het samengestelde woord. Wat doe je dan? Je zoekt in dat woord waar de klemtoon valt. Entertáínment. Alles wat vóór de klemtoon komt hak je ervan af. Je houdt over: -tainment. Hoeveel lettergrepen heb je ervan afgeknipt? Twee. Nou dan moet je van het andere woord – informatie – evenveel lettergrepen, de eerste twee dus, nemen: info-. Zo kom je op: infotainment.

„Al die woorden werken zo. Relitainment, halvarine. Brusje bijvoorbeeld ook. Je neemt broer en zusje. Is een van die twee het belangrijkst? Nou nee. Ach, wat neem je dan als tweede? Het langste woord: zusje is langer dan broer. Of misschien waren we hier zo aardig om de vrouwen het belangrijkst te vinden. Volgens precies hetzelfde procédé wordt een studentenhotel een stutél en een kruising tussen een schaap en een geit een scheit.

Ze worden altijd door iemand bedacht, dat is zo, maar ze werken alleen maar als ze kloppen

„Maar er is iets geks aan de hand. Bij gewone samenstellingen, zoals coronacrisis en persconferentie, gaat de klemtoon altijd naar het eerste deel. Corónacrisis. Pérsconferentie. Maar bij blending ligt de klemtoon altijd op het laatste deel. Infotáínment. Dus het is een aparte groep woorden met eigen grammaticale regels.”

Is blending een recent verschijnsel?

„Er zijn in het Grieks en het Latijn ook wel wat voorbeelden van gevonden, en bij Chaucer en Shakespeare, maar dat zijn er altijd maar een paar. Lewis Caroll gebruikte ze. En James Joyce, in Finnegans Wake. In Nederland was Leonard Huizinga er dol op, de schrijver van de humoristische boeken over Adriaan en Olivier.

„Dus je had het al wel. Maar mondjesmaat. Op gegeven moment werd het in het Amerikaans-Engels een veelgebruikt woordvormingsproces, voor merknamen, maar ook in de wetenschap. En nu zie je het ook steeds meer in het Nederlands.”

Is het wel grammaticaal? Het lijkt soms meer op een stijlfiguur.

„Ze worden altijd door iemand bedacht, dat is zo, maar ze werken alleen maar als ze kloppen binnen het systeem, want anders verdwijnen ze weer.

„Stel je voor dat we in ons hoofd zowel een systeem met mooie regels zouden hebben, als, daarnaast, een enorme bulk woordjes die niet aan regels voldoen, dat zou toch zonde zijn van de capaciteit in je brein? Nee, zo werkt het niet. Als je goed kijkt zit er altijd een systeem achter.”