Handboogschutter Sjef van den Berg (midden) tijdens een training op Papendal.

Foto Olivier Middendorp

Interview

Het onzichtbare gevecht van handboogschutter Sjef van den Berg

Tokio 2020 Zijn hooggevoeligheid is een vloek en een zegen gebleken; Sjef van den Berg kan er „bovennatuurlijke” dingen mee, maar wordt ook geteisterd door ondraaglijke hoofdpijn. De Olympische Spelen van Tokio zijn het eindstation. „Dan begint het echte leven.”

Op het oog is handboogschutter Sjef van den Berg een doodgewone kerel van 26 uit Heeswijk-Dinther in Noord-Brabant, met een kort kapsel dat vaak wat warrig op zijn hoofd staat, en eronder appelwangen. Hij is zwaarder geworden sinds de Olympische Spelen van Rio, waar hij als vierde eindigde en waar hij met trots op terugkijkt. Wat meer geleefd, zegt hij, genoten van eten en drinken. Maar achter zijn ogen is alles anders.

Daar ligt een rijke en ook verwarrende wereld besloten waar prikkels voortdurend als felle zonnestralen naar binnen branden en de dingen soms zo doen uitbijten dat hij op bed moet gaan liggen, in een donkere kamer, zonder geluid, en moet wachten tot het weer wegtrekt. Emoties, die van zichzelf én van anderen, geluiden, beelden; hij heeft geen filter, of die staat verkeerd afgesteld. Als hij zijn pijlen staat te schieten en elders langs de baan ruzie wordt gemaakt, dan krijgt hij alles mee. Na een toernooiweek is hij niet zelden uitgeput.

Tegelijkertijd profiteert hij er ook van: Van den Berg kan tot op gevoelsniveau – „bijna bovennatuurlijk” in zijn woorden – aanpassingen maken aan zijn techniek waarmee hij bij de absolute wereldtop in het handboogschieten hoort. Hoe het precies werkt krijgt hij niet uitgelegd. Sensaties laten zich niet in taal uitdrukken. Hij voelt zo snel en zo veel dat woorden niet toereikend zijn. Jaren geleden werd hij gediagnosticeerd als hoog sensitief persoon (HSP). Dat is een vloek en een zegen gebleken. Het bracht hem over de hele wereld langs hoge pieken en diepe dalen, maar weldra is hij daarmee klaar. De Spelen van Tokio zijn „het eindstation”. Daarna begint zijn „echte leven.”

Van den Berg doet zijn verhaal op een winderige ochtend in april, tijdens een training op Papendal. Hij heeft zijn interviews in aanloop naar de Spelen zorgvuldig gekozen. In Rio werd hij overvraagd. Naarmate hij oprukte in het toernooi en duidelijk werd dat hij om de medailles ging strijden, werd hij voortdurend gebeld. Er knapte die week een haarvat in zijn rechteroog. Het belemmerde zijn zicht niet maar het zag er wel spectaculair uit. Vanaf dat moment werd hij de Evil Eyed Dutchman genoemd. Grappige gimmick, maar ook dat kostte hem eigenlijk alleen maar energie.

Het leven als handboogschutter trekt zo’n zware wissel op hem dat hij een einddatum nodig heeft om het nog tot aan Tokio vol te houden. „Een richtpunt maakt het hebbelijk”, zegt hij. Zijn olympische wedstrijden staan gepland tot en met 31 juli, als hij ver in het toernooi komt tenminste.

Sinds tien jaar heeft hij last van extreme migraine-aanvallen, die volgens hem direct verband houden met zijn hooggevoeligheid en de beoefening van zijn sport. „Na een wedstrijd heb ik er bijna standaard last van, als ik spanning heb gehad en veel indrukken heb opgedaan. Ik kan het tijdens een toernooi nog redelijk uitstellen, maar als het allemaal achter de rug is, klapt-ie er soms ineens in.”

Medicijnen kan hij tijdens zijn carrière niet nemen. Cannabis-olie en bètablokkers zouden kunnen werken, maar dan zou hij een positieve dopingtest afleveren. En dispensatie kan hij vergeten. Bètablokkers verlagen de hartslag, waardoor een schutter stabieler wordt. Het is dopingmiddel nummer één bij schietsporten.

Sjef van den Berg komt deze week in Tokio nog in actie met het Nederlands team en individueel. Foto Olivier Middendorp

Tijdens de Spelen vijf jaar geleden kreeg Van den Berg één keer een aanval van wat hij „clusterhoofdpijn” noemt. Hij moest plat en kon „eigenlijk niet functioneren.” Gelukkig was daar ook gelegenheid toe, tussen de wedstrijden door. Maar eerder dat jaar, bij een wereldbekerwedstrijd in Shanghai, gebeurde het tijdens de kwalificatieronde, waarbij hij 72 pijlen het doelpak in moest zien te schieten, in series van zes. „Ik schoot, zette mijn boog weg, rende naar het toilet om over te geven, en kwam dan weer terug. Dat gebeurde een paar keer. Ik scoorde een Nederlands record en uiteindelijk won ik die wereldbeker. Wat er volgens mij gebeurt tijdens zo’n aanval is dat je je frontale cortex uitschakelt. Dan voel je geen emoties meer en draai je op je overlevingsmechanisme. Ik zag ook alleen maar vlekken, maar die kun je nog wel redelijk uitlijnen. Daarna was ik twee dagen als pudding.”

Zijn hoofdpijn is een handicap. Van den Berg is ervan overtuigd dat hij een betere handboogschutter zou zijn geweest als hij er geen last van had gehad. En hij is al zo goed.

Zijn aanvallen kunnen een kwartier duren, maar houden soms ook uren aan. Hij kan dan geen licht verdragen en moet op bed gaan liggen. En het raam moet open, want zuurstof helpt. „Het voelt alsof iemand vanuit mijn hersenpan een gloeiendhete pin door mijn oog naar buiten probeert te duwen. Dat heb ik kennelijk een keer tijdens een aanval aan mijn vriendin beschreven.” De voorbije maanden had hij weinig hoofdpijn. De kans is groot dat dat met zijn rustige aanloop te maken heeft.

Uitgesteld ‘pensioen’

Toen Van den Berg vanwege het coronavirus vorig jaar geen wedstrijden kon schieten, raakte hij zijn boog drie maanden niet aan. Hij besloot fulltime te gaan werken bij een handboogwinkel in Nijmegen om te ervaren hoe het leven zou zijn na zijn carrière. Het uitstel van de Spelen was hem zwaar gevallen. Hij had eigenlijk al met ‘pensioen’ moeten zijn. Daar keek hij al zo lang naar uit. „Ik vind boogschieten fantastisch, maar ik kan het ook prima hobbymatig doen.”

Heerlijk vond hij het om mensen een beginnersboog te verkopen en de glimlach op hun gezicht te zien, als ze enigszins controle over dat ding kregen. Van hun enthousiasme kreeg hij energie en dat had hij als schutter nooit zo ervaren. Dan kon hij alleen maar hopen dat mensen het vet vonden dat hij pijlen stond te schieten.

Je had er ook klanten tussen zitten die hem niet herkenden – handboogschieten staat slechts één keer in de vier jaar in de aandacht – en hém gingen uitleggen hoe het spelletje werkte. Schiet je zelf ook weleens, vroegen ze. Dan pakte hij zijn ultra-geavanceerde Hoyt Formula XI van bamboe, aluminium en carbon met stabilisatoren die er als zwevende tentakels voor zorgden dat hij zijn boogarm gestrekt voor zich kon houden, ging op elf uur aan de schietlijn staan, ademde in terwijl hij de pees tot aan zijn kin bracht zodat hij ‘geankerd’ stond, en dan liet hij zijn Easton X10 350 Spine-pijl a 70 euro per stuk zo de tien in vliegen. „Dat had ik inderdaad ook toen ik wereldkampioen werd”, antwoordde hij de klant, die met een mond vol tanden toekeek. Hij genoot er kortom van om met mensen in contact te staan, een dolletje met ze te maken en ze van dienst te kunnen zijn.

Maar op een goed moment moest Van den Berg toch weer serieus gaan trainen, wilde hij de Spelen halen. Het duurde even voor de spieren rond zijn wervelkolom, zijn romp en zijn schouderblad weer in staat waren zijn wedstrijdboog op spanning te brengen. Daarvoor moet hij 25 kilo uiteen kunnen trekken, op een goede dag wel vijfhonderd keer – een normale sterveling beeft alle kanten op als hij het ook maar één keer probeert. Maar mentaal viel het hem zwaar om terug te keren in een wereld die nog altijd door een pandemie werd beheerst.

„Ik kan niet zo goed relativeren”, vertelt hij in een kantoortje van een semi-permanente trainingslocatie die de handboogploeg als ‘De Tent’ aanduidt. Van den Berg werkt er een reguliere trainingsdag af met zijn ploegmaatje Gijs Broeksma. Voor het interview heeft hij zijn boog even aan de kant gezet. „Of misschien relativeer ik juist te goed.” Hij vertelt over de wereldbeker van Guatemala, half april, waar hij als negende eindigde. Een prima resultaat als je je bedenkt dat hij niet lekker in zijn vel zat.

„Ik voelde me er niet fijn bij dat we helemaal naar de andere kant van de wereld waren gevlogen om pijlen in een bord te schieten, terwijl we dat hier ook hadden kunnen doen. Maar omdat er nu andere mensen bij waren, moest het schijnbaar mijn werk heten. Als je daar te veel over na gaat denken, wordt het een onnuttig ding. En daar gedij ik niet zo goed bij.” Het helpt ook niet dat hij zich geen topsporter voelt, maar meer een „fanatieke hobbyist die toevallig heel goed geworden is.” Hij heeft soms het idee dat hij geleefd wordt als professioneel schutter, dat hij een pionnetje is in een groot schaakspel. „Het enige wat ik toevoeg aan de maatschappij, is het vermaken van anderen door stokjes van een afstand in een bord te prikken. Dat begint te wringen.”

In Guatemala lukte het Van den Berg niet goed om die worstelingen naast zich neer te leggen en zich te focussen op het schieten. Dat had ook te maken met het feit dat veel mensen zich niet aan de coronamaatregelen hielden. „Dan kan ik op de automatische piloot wel een degelijke score schieten, maar niet die zesde versnelling in. En dat heb je wel nodig om de finaleronde te bereiken.”

Sjef van den Berg (midden) begon al op zijn vierde met handboogschieten. Foto Olivier Middendorp

Pijltjes in een dartbord

Van den Berg heeft als geen ander zijn volle aandacht bij het schieten nodig om tot een topprestatie te kunnen komen. „Voor mij is handboogschieten voor 90 procent een mentale sport”, zegt hij. „Daarop maak ik het verschil met de rest. Ik train vooral om te kunnen omgaan met alles. Met spanning. Maar ook hoe je aankijkt tegen een goed en een slecht schot. Hoe analyseer je die? Ieder schot probeer je meteen een soort waarde mee te geven. Klopt waar hij op het pak zit wel met het gevoel dat ik had toen ik de pees losliet? En zo niet, waaraan lag dat dan? Je bent jezelf voortdurend aan het leren kennen en dat kost heel veel energie. Het stopt ook nooit.”

Soms, als hij tijdens een training verstrikt raakt in zijn eigen gedachten, zet hij zijn boog weg en gooit hij een paar pijltjes in een dartbord. Hij kan niet voortdurend ‘aan staan’. In De Tent hebben de handboogschutters een hoekje ingericht waar ze kunnen ontspannen. Er staan een paar tuinbanken die ze makkelijk kunnen schoonmaken als vogels naar binnen zijn gevlogen en de boel hebben onder gepoept. De spelcomputer die scheef op een plankje staat is al maanden niet meer aan geweest nadat-ie op de grond viel. Aan een grote werkbank kunnen de schutters met een cirkelzaag zelf nieuwe pijlen op maat maken. En als ze na een serie pijlen naar het doelpak lopen, zeventig meter verderop, is ook dat even een „bezinningsmomentje.”

Hoewel het vele trainen Van den Berg nu en dan zwaar valt, komt hij ook weleens naar de baan om gewoon vrij te schieten. Van kortere afstand, of hij doet zonder punten. „Waar anderen een boek lezen of breien, voel ik me veilig met een boog in mijn hand.”

Sjef van den Berg begon al op zijn vierde met handboogschieten. Zijn vader schoot en nam hem ruim voor de toegestane leeftijd mee naar de baan. De sport was „vet verslavend” vanaf het moment dat hij een pijl in de tien schoot, de maximale score. „Dan denk je dat je ‘m doorhebt, maar de volgende gaat mis. Hoe kan dat? Je raakt in een vicieuze cirkel waarbij je jezelf wilt blijven verbeteren.” Er is geen bevredigender gevoel dan een schot dat in de tien valt én ook zo voelde. „Dan maakt het niet uit wat er in de rest van de wereld gebeurt. Alsof alles even op zijn plek valt.”

Op zijn twaalfde trainde hij mee op Papendal en vanaf moment wilde hij maar één ding: met handboogschieten zijn geld verdienen. Het werd hem ontraden door zijn familie, maar hij zette toch door, omdat hij voelde dat hij school en schieten niet kon combineren. Hij ging van het gymnasium naar mbo autotechniek en later human technology. Maar ook dat werd te veel naast het schieten. Op zijn achttiende werd hij fulltime prof, en verhuisde hij naar Papendal.

De goede resultaten volgden snel. In 2015 brak hij door met individuele zeges en hij stond een tijdje tweede op de wereldranglijst. Het grote publiek maakte kennis met Van den Berg tijdens de Spelen van Rio, waar hij in een bloedstollende troostfinale om brons verloor van de Amerikaan Brady Ellison, de huidige nummer één van de wereld. Beroemd is het moment dat Van den Berg op een belangrijk moment een zes schiet. Je ziet hem verkrampen. „Ik had toen niet de mentale capaciteit en was niet gehard genoeg om te dealen met het feit dat ik in een medaillematch van de Olympische Spelen stond.”

Maar juist op dat vlak heeft hij de afgelopen jaren sprongen gemaakt, waardoor hij zichzelf in Tokio als medaillekandidaat ziet. „Ik ben een betere schutter en ook een beter mens geworden”, zegt hij.

Een paar jaar geleden was hij naar eigen zeggen nog „een heethoofd”. Bij een slecht schot sloeg hij nog weleens een pijl op zijn been kapot, of hij mepte met de stabilisator van zijn boog op de grond. „Dan was er een fysiek gevolg van wat er mentaal bij me gebeurde.” Hij kon het vooral niet hebben als zijn gevoel niet in overeenstemming was met het resultaat op het blazoen. „In plaats van dat je dankbaar bent voor een slechte pijl die toch goed valt, vond ik dat oneerlijk. Ik maakte de hele tijd ruzie met mezelf.” Dan klonk er van binnen een boze stem en voelde hij zijn spieren zich aanspannen. Dan moest er iets kapot. Want die energie moest eruit.

Hij klopte aan bij een psycholoog, maar daar kreeg hij het gevoel dat hij geen goed mens was. Bij een mental coach liep het beter. Van den Berg leerde er dingen die hij niet in de hand had los te laten, „acceptatie” noemt hij dat. „Wat voor veel mensen triviaal is, kostte mij moeite. Slechte schoten moest ik leren accepteren. Dan kon ik er ook dingen van leren. In plaats van alleen maar te denken: kutschot, en nou ga ik de volgende verdomme beter doen. Want aan die negatieve energie die boosheid losmaakt heb je als boogschutter niks.”

Hij begon naar zichzelf te kijken volgens het principe van „aardige ogen, goede fouten.” Dat was een mantra dat hij bleef herhalen als „een soort trucje”, maar dat na verloop van tijd zo in zijn systeem sleet dat hij zichzelf daadwerkelijk met meer compassie begon te benaderen. „Dan ga je met openheid en eerlijkheid naar jezelf kijken”, zegt hij. „Die woede heb ik nog steeds wel af en toe. Dat is gewoon een karaktereigenschap. Maar nu probeer ik tegen mezelf te zeggen: ‘Goh, jongen toch. Rotschot. Maar wat kan er beter?’” Die coaching heeft ook resultaat in zijn dagelijks leven. Hij kan nu fouten van een ander bij die ander laten, in plaats van ze op zichzelf te betrekken.

Mental coaching

De mental coaching is een fundamenteel onderdeel geworden van het trainingsprogramma van het nationale handboogteam. Van den Berg is ervan overtuigd dat ook fysieke sporten er baat bij zouden hebben. „Ik denk dat het een achterhaalde gedachte is dat mentale begeleiding sporters in de weg zou kunnen zitten. Mentaal heb je toch, dan kun je het maar beter benutten.”

Bij de laatste wereldbekers reisde een mental coach mee. Omdat het team de reisbewegingen tot een minimum wilde beperken, waren de handboogschutters veel op zichzelf aangewezen, in het hotel waar ze verbleven. Er volgden gesprekken van soms wel vijf uur. Centraal thema was steeds eerlijkheid, naar jezelf maar ook naar anderen. Dat is volgens Van den Berg essentieel om een betere handboogschutter te worden. „Stap één is een schot eerlijk beoordelen. Als je eerlijk zegt waarom hij rechts in de acht belandde, dan kun je daar ook makkelijker op gecoacht worden. Maar we hebben ook gewoon over het leven gesproken, en ergernissen met elkaar gedeeld. Ik heb verteld dat ik best wel jaloers kan zijn. Dan sta ik hartstikke goed te schieten maar verlies ik de wedstrijd, terwijl een teamgenootje slecht staat te schieten en wint. Ik vond mezelf altijd een klootzak omdat ik dat dacht. Maar toen ik dat had uitgesproken, zei iedereen: dat heb ik ook. Toen viel er echt een gewicht van mijn schouders af.”

En dus gaat hij lichtvoetiger dan ooit naar Tokio. Ook omdat hij weet dat het er op 1 augustus op zit. Nog één keer zal hij het uiterste van zijn fysieke en mentale vermogens moeten vragen. Het meest kijkt hij uit naar het schieten op de finalebaan, waar alle wedstrijden rechtstreeks op tv worden uitgezonden. „Dat vind ik het vette aan de Spelen: je staat niet als een anoniem poppetje te schieten, maar elke match wordt uitgelicht. Dan doet het als een topsport aan, en dan voelt het alsof het echt iets waard is.”

Hij maakt nog kans op twee medailles: individueel, maar ook met de mannenploeg. Zelf een plak halen zou als een kroon op zijn werk voelen. Die honderdduizenden pijlen, al die emoties die hij gevoeld heeft, de hoofdpijnen die heeft moeten doorstaan. „Maar het is geen vereiste. Ik heb veel voor het boogschieten betekend en het heeft me nog meer over mezelf en over het leven geleerd. Ik hoop eigenlijk vooral dat de hoofdpijn wegebt in het vliegtuig terug. Dat we boven Rusland vliegen, en dat ik het dan los kan laten.”