Necrologie

De emotie zat in het ongeposeerde leven

Eddy Posthuma de Boer (1931 – 2021) Fotograaf

Fotograaf Eddy Posthuma de Boer legde het leed in de hele wereld vast, maar had ook oog voor het ‘geluk van de alledaagsheid’.

Schrijvers K. Schippers en Bernlef eten een uitsmijter.
Schrijvers K. Schippers en Bernlef eten een uitsmijter.

„Ik fotografeerde wat ik zag. Dan moet je niet kinderachtig zijn.” Met die twee simpele zinnen typeerde fotograaf Eddy Posthuma de Boer, twee jaar geleden in een interview met deze krant, zijn werk voortreffelijk. Zondag overleed de gerenommeerde fotograaf in zijn woonplaats Amsterdam op negentigjarige leeftijd.

Toen Posthuma de Boer in de Tweede Wereldoorlog een boxcamera kreeg, was hij verkocht. Dit is wat hij voortaan zou doen: vastleggen wat hij zag. En dat was voor de in 1931 in Amsterdam geboren Posthuma de Boer behoorlijk wat. Al jong zag hij hoe klasgenootjes werden weggevoerd, een beeld dat hem altijd zou bijblijven: „Toen mijn broertje en ik naar het Olympiaplein renden, stonden daar allemaal trams klaar. Ik zag dat mijn klasgenootjes erin zaten, Paul Duizend, die altijd naast me zat in de schoolbank, en zijn tweelingbroer Harold. We hebben nog naar elkaar gezwaaid. Ze waren 14 toen ze uiteindelijk in Sobibor vermoord werden. Dat is een verhaal dat nooit meer uit je ziel gaat”, vertelde hij in NRC.

Of dit tevens de reden was dat hij als jonge fotograaf na de oorlog beïnvloed werd door de humanistische fotografie, is gissen. Deze sociaal documentaire fotografie, die na de Tweede Wereldoorlog in Europa opkwam, legde het accent op de mens en het zo korte leven. Het was een relatief optimistische stroming die mensen met elkaar wilde verbinden en waarbij men geloofde in de mogelijkheid van maatschappelijke vooruitgang. De fotografen Eva Besnyö (1910-2003), Henri Cartier-Bresson (1908-2004) en Robert Doisneau (1912-1994) waren voorbeelden voor Posthuma de Boer. Soms legde hij het positieve vast: Nederland in kleur en (weder)opkomst. Maar pretentieus deed hij er niet over, soms vereiste de opdracht nu eenmaal een positief getoonzet beeld, en dan maakte hij dat.

Een biertje of een patatje op een terras in Middelburg (1969)

Tragische clown

Maar uiteindelijk zou Posthuma de Boer een andere weg inslaan, los van zijn voorbeelden. In 1948 kon hij aan de slag bij het ANP als assistent laborant, om vijf jaar later voor zichzelf te beginnen als freelance fotograaf. Dat bleef hij tot op het laatst, werkend voor onder meer de Volkskrant, Het Parool, Avenue, waar hij samen met Cees Nooteboom reportages voor maakte , Time-Life, Holland Herald (het tijdschrift van de KLM) en Studio (de radio- en tv-gids van de KRO). De foto’s die hij van Circus Van Bever in 1954-1955 maakte, zijn wars van vooruitgang en optimisme: een eenzaam kind kijkend naar mannen te paard en een clown nog tragischer dan ze doorgaans al zijn.

Samen met generatie- en vakgenoten Ed van der Elsken (1925-1990) en Johan van der Keuken (1938-2001) richtte hij steeds meer de blik op het existentialisme, en minder op de mythe van de vooruitgang. Pierre Jansen, indertijd van het Schiedams Museum (het huidige Stedelijk Museum Schiedam) zag de verwantschap en maakte in 1961 opeenvolgende solo-tentoonstelling met Van der Elsken, Van der Keuken en Posthuma de Boer.

Deze drie maakten faam als de grootste naoorlogse fotografen die de blik op zowel Amsterdam als de wereld bepaalden. Merkwaardig genoeg is Posthuma de Boer de enige van de drie die niet opgenomen is in de afgelopen voorjaar gepresenteerde Eregalerij van de Nederlandse fotografie.

Posthuma de Boer legde de armoede in Kazachstan en Tadzjikistan vast, kinderen met leukemie en hun ouders in Bagdad na de boycot in 1990, drugsverslaafde kinderen slapend onder een zeiltje in Colombia. Aan NRC vertelde hij: „Als ik naar Bogotá of Bagdad ging, dan was het de bedoeling dat ik fotografeerde wat ik zag. De tranen komen bij wijze van spreken later. Niet dat ik stond te janken in de doka, maar dan denk je wel: potverdomme! Die emotie komt er door middel van mijn foto’s uit. Dat zijn de getuigen van wat ik zag.”

Schrijvers Bert Voeten, Jan Wolkers, Gerard Reve en Louis Lehman (medio jaren zestig)
Dode jongen in Bogotá (1966) -luidde het onderschrift bij deze foto van Eddy Posthuma de Boer.
John Kraaijkamp en Andre Hazes (1959)
Foto linksboven: schrijvers Bert Voeten, Jan Wolkers, Gerard Reve en Louis Lehman (medio jaren zestig)
Foto rechtsboven: dode jongen in Bogotá (1966)
Foto onder: John Kraaijkamp en André Hazes (1959)

Foto’s Eddy Posthuma de Boer

Uitsmijter

Nadat Posthuma de Boer in 1953 voor zichzelf was begonnen, maakte hij niet alleen nieuwsportretten, maar hij ontmoette ook steeds meer dichters en schrijvers. Hij werd lid van kunstenaarssociëteit De Kring en zijn betrokkenheid met schrijvend Nederland zou leiden tot enkele befaamde auteursportretten. Zo is het portret een stoere Jan Cremer op de motor bekend, maar ook dat van een jonge en verrassend mild kijkende Armando en de twee mooiste schrijversportretten die het Nederlandse taalgebied rijk is: dat van Gerard Reve uit 1968 en een van J. Bernlef en K. Schippers uit 1967.

Bij Reve staat alles opgesteld wat Reve kenmerkt, het is een volle foto van een ijdele, poserende auteur die volkomen naturel tussen drie wijnflessen, boeken en Mariabeelden zit, de ganzenveer zichtbaar op de achtergrond. De foto van Bernlef en Schippers (gemaakt voor hun kunstboek Een cheque voor de tandarts uit 1967), waarop de twee schrijvers een uitsmijter eten, is zo goed omdat de twee destijds de wereld wilden opschudden door de werkelijkheid meer onomwonden in de literatuur naar voren te brengen. Etende mensen zijn op een foto eigenlijk nooit charmant, bij Posthuma de Boer werkte het wel.

Schrijvers K. Schippers en Bernlef eten een uitsmijter.

In een interview met de Volkskrant naar aanleiding van de mooie columns in die krant die hij samen met zijn dochter maakte (hij de foto, zij de tekst), legde Posthuma de Boer uit waarom die foto zo goed was: „Dit zijn K. Schippers en Bernlef, met Gerard Brands vormden ze de redactie van het literaire tijdschrift Barbarber. Ze wilden samen op de foto. Ze zaten in een oud-Hollands restaurant uitsmijters te eten. Kijk, peper en zout, Amstel-bier, een asbak, uitsmijters. Lekker klassiek.” J. Bernlef is hier linkshandig. „Daarom is de balans zo mooi, met die twee armen en handen.” Een paar jaar eerder had Posthuma de Boer ook The Beatles gefotografeerd, en hij zag een mooie parallel toen hij met de Barbarber-redactie bezig was. „Op foto’s van The Beatles zie je hetzelfde als hier. Toen ze in 1964 in Nederland waren, heb ik ze gefotografeerd voor de Volkskrant. Daar hebben we in 2014, vijftig jaar later dus, een boekje over gemaakt. Bij het uitzoeken van de foto’s viel het me op dat Paul McCartney linkshandig is. Hij staat zó te spelen, en George Harrison zó”. Zijn liefde voor popcultuur leefde hij indirect uit: in de foto’s van jongeren uit die tijd.

In menig interview beschreef Posthuma de Boer zijn opbergsysteem: veel mappen waarin hij zijn foto’s bewaarden, thematisch geordend: zijn reizen, de periodes in Amsterdam, jazz, trappen. De mooiste van allemaal is misschien wel de map waarop stond ‘geluk van de alledaagsheid’. Dat hij dat overal kon herkennen, geeft meerwaarde aan de foto’s in al die andere mappen.

Bekijk meer foto’s van Eddy Posthuma de Boer: De man die door de pose heenprikt