Opinie

Bij de dood van een tekenaar: de prent waar alles om begon, was niet te zien

De ombudsman

Het ging geruisloos voorbij – en dat zegt ook wat. Althans, het leidde tot niet één lezersbrief. En toch was het best gek, als je er even over nadenkt, dat bij de necrologie van de Deense cartoonist Kurt Westergaard nou net niet de tekening te zien was die hem beroemd en berucht maakte. Ja, die van een grimmig kijkende moslim met een bom in zijn tulband.

Ik zag hem online ook niet in de Volkskrant, bij Trouw, de Telegraaf (die net als NRC wel een foto plaatste van de tekenaar met zijn bewonderaar Geert Wilders) en internationaal niet bij The Guardian, The New York Times, de BBC, CNN of andere grote media. Graag zelf dus bij elkaar te googelen waar het ook alweer precies om ging – nu ja, hoe dat eruit zag.

Dat is niet onbegrijpelijk. Die tekening, gemaakt in opdracht van de Deense krant Jyllands-Posten die het in 2005 nuttig vond om bij wijze van islamkritiek twaalf cartoons te plaatsen (van evenzoveel tekenaars) van ‘het gezicht van Mohammed’, leidde tot georganiseerde rellen in islamitische landen, waarbij volgens sommige tellingen ruim 250 doden vielen. Ook hier laaide het debat op over de vrije meningsuiting en over wat Ayaan Hirsi Ali (VVD) noemde het ‘recht om aanstoot te geven’, ook wel bekend als het recht om te kwetsen. Westergaard zelf, die het mikpunt werd van bedreigingen, moest tot zijn dood onder bewaking leven. Hij ontsnapte in 2010 aan de dood toen een jihadist met een bijl zijn huis binnendrong.

Tegen die dodelijke achtergrond besloten tal van media de cartoon niet of niet meer te publiceren. Hirsi Ali en anderen drongen erop aan dat juist wel te doen, als statement. Het recht om te kwetsen bleek dus eerder bedoeld als een patriottische plicht. Westergaards tekening werd zo het brandpunt van een ideologische oorlog tussen ‘ons’, wij die met dank aan Monty Python helder verlicht zijn en hartelijk kunnen lachen om onze Lieve Heer, en die heetgebakerde ‘hen’ daar, nog in de greep van de Middeleeuwen.

Geen wonder dat ook NRC er toen vriendelijk voor bedankte de cartoon op die manier te gebruiken: niet als informatie aan een algemeen lezerspubliek, maar als een campagnemiddel om moslims een lesje te leren.

Maar geldt die overweging ook nog bij de dood van de tekenaar? Je kunt de afwegingen op redacties uittekenen: we hebben die tekening nooit laten zien, dus waarom nu wel; door het geweld is die te beladen; en nou ja, misschien ook wel nodeloos kwetsend.

Het geweld om cartoons is bovendien niet verdwenen. De slachting op de redactie van het satirische tijdschrift Charlie Hebdo, tien jaar na de Deense ‘cartoonoorlog’, en de onthoofding van de Franse leraar Samuel Paty bewijzen het tegendeel. Na een als antisemitisch gehekelde cartoon van Benjamin Netanyahu stopte The New York Times met cartoons in de internationale editie. NRC kreeg – terecht, vond ik – kritiek op een misplaatste cartoon van een kannibaal; recenter leidde bij de Volkskrant een tekening van Maurice de Hond met antisemitische associaties tot verwijdering van de cartoon én excuses.

Ja, nieuwe tijden. Ter vergelijking: in 1998 drukte NRC een spotprent af van een geestelijke die, Koran in de ene hand, met de andere een bom brouwt. Weinig ophef: ‘de islam’ was toen nog geen nationale obsessie. De krant drukte een brief af van de ambassadeur van de Islamitische Republiek Iran, daar bleef het bij.

De redacteur die de necrologie schreef, zelf liefhebber van vrije satire, kan het door de context billijken dat de krant de tekening niet plaatste. Ik ook, maar onbevredigend is het wel. Je kunt een tekening beschrijven, maar je wilt die ook zien. Stijl en penvoering doen ertoe. Bovendien, ik zou waarschijnlijk nooit van Westergaard hebben gehoord (u vermoedelijk ook niet ) als hij niet die gewraakte cartoon had gemaakt.

Aan de andere kant: waarom zou je de man in zijn necrologie reduceren tot zijn meest beruchte pennenvrucht? Valt er niet meer over hem te vertellen of van hem te tonen? Ja, maar de oplossing is niet minder laten zien, maar méér: wat tekende hij behalve ‘die ene’?

Het had trouwens ook met die ene anders gekund. RTL én de NOS plaatsten een foto van persbureau AFP waarop de tekening te zien is, afgedrukt in kranten. De tekening wordt dan geciteerd, in context. Dat mag halfslachtig lijken, het is beter dan niets.

Het doet denken aan een taalfilosofisch onderscheid dat ik al vaker te hulp riep, tussen een woord gebruiken (om naar de werkelijkheid te verwijzen) en het noemen (om iets over het woord te zeggen). Dat onderscheid is niet onomstreden en ook zeker niet absoluut (ook geciteerd racisme kan racistisch zijn), maar het blijft zinnig en bruikbaar.

Toegepast op beeldtaal: wie de cartoon ‘citeert’ zoals NOS en RTL deden, distantieert zich van het gepolitiseerde effectbejag dat gebruik ervan aankleeft. Of: in een portret van de maker dit beeld tonen is iets anders dan bij een reportage over de islam, of bij een koran-hatend opiniestuk.

Maar taalfilosofie kent ook nog een ander onderscheid, tussen intentie van de spreker en beleving van de toehoorder (of kijker). Een filosoof die ik raadpleegde ziet een verschuiving van het eerste naar het tweede. Doen intentie en context er dan nog toe of is de beleving doorslaggevend?

Een balans tussen intentie en beleving vinden is moeizaam. Maar alles weglaten dat kán kwetsen dicht aan taal en beeld wel een heel extreme, bijna magische kracht toe. Alsof alleen al het zien van een beeld of horen van een woord het Kwaad oproept.

Nou ja, deze cartoon van Westergaard riep inderdaad kwade krachten op, kun je zeggen – maar ook dat maakt zijn beeld deel van de geschiedenis.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.