Opinie

Minder echte ouders bestaan niet

Meerouderschap Een kind kan in Nederland officieel maar twee ouders hebben. Een nieuw kabinet moet die wet veranderen, schrijft , moeder in een meeroudergezin.
Illustraties Cyprian Koscielniak

‘En van wie ben jij nou de moeder?” Het was een waterkoude zaterdagochtend in de lente. Mijn vrouw had werk te doen dus ik had mijn twee kinderen in hun jassen, laarzen en regenbroeken gehesen en was naar de favoriete zandbak gefietst. Een kennis uit de tijd ver voordat er kinderen in het spel waren, was ook bij de zandbak met zijn kroost. We raakten aan de praat. Terwijl mijn zoon en dochter in een dispuut verwikkeld waren over wie met welke schep mocht spelen, stelde hij me deze onwerkelijke vraag, van wie van mijn kinderen ik nou de moeder was.

„Van allebei”, antwoordde ik.

„Nee, ik bedoel de echte moeder”, verduidelijkte hij.

Wat een echte moeder is, wat een ouder echt maakt, dat is een vraag die me bezighoudt sinds het moment dat we de wens uitspraken met elkaar een gezin te willen vormen. We, dat zijn mijn vrouw, ik, en een goede vriend van ons. Inmiddels voeden we onze kinderen met z’n drieën op, en vormen daarmee een zogenaamd meeroudergezin. De kinderen wonen het grootste deel van de week bij mijn vrouw en mij, de rest van de week zijn ze bij hun papa, die bij ons om de hoek woont.

Met een gezinsconstructie als de onze konden we niet anders dan vanaf het begin nadenken over onze posities: wie van ons zou straks biologisch ouder worden en wie van ons juridisch? De ‘echtheid’ van het ouderschap stond in onze gesprekken nooit ter discussie: die was evident, voor ons, althans.

De kennis was niet de eerste, en zal ook niet de laatste zijn, die me confronteert met dat wat voor mij een onwrikbare werkelijkheid is (onze kinderen hebben drie echte ouders) buiten mijn gezin niet zo vanzelfsprekend is.

Toen mijn vrouw hoogzwanger was van onze oudste en we samen op een feestje waren, vroeg iemand me hoe ik straks in hemelsnaam dacht te kunnen compenseren voor het gebrek aan biologische verwantschap tussen mij en mijn toekomstige kind. Na de geboorte van onze jongste, die ik gedragen heb, feliciteerden sommige mensen me met de woorden „nu ben jij ook écht moeder”. En dan is er nog de overheid die bepaalt wat echt ouderschap is. Volgens de wet kan een kind maar maximaal twee ouders hebben. Mijn vrouw en ik zijn die wettelijke ouders. Onze vriend, de vader, is juridisch gezien niets van onze kinderen.

De naïeve, nieuwsgierige en ongetwijfeld goedbedoelde vragen en opmerkingen over onze familie stellen de legitimiteit van ons gezin ter discussie. De vraag naar de ‘echte’ ouder veronderstelt de aanwezigheid van een minder echte, een tweederangsouder. De wet stelt ons bestaan niet alleen ter discussie, maar ontkent het: officieel zijn er geen kinderen in Nederland die meer dan twee ouders hebben.

Dit getorn aan de legitimiteit van ons gezin staat in schril contrast met de alledaagse werkelijkheid van het familieleven. Het dagelijkse leven als ouder van een twee- en vierjarige maakt korte metten met gepeins over de waarachtigheid van je ouderrol.

Lees ook: Vier ouders voor één kind

Opletten zul je, het kind behoeden voor een val uit het klimrek, een boek voorlezen, een snotneus afvegen, een boterham smeren, zorgen dat ze wat drinken, een plakkerige kus ontvangen, een luier verschonen, ze leren dat niet elke hond in het park geaaid wil worden, schommelen, een jas aan, een jas uit, zonnebrandcrème niet vergeten. De paradox van het ouderschap is dat het vaak saai is, het is een immer durende opeenvolging van steeds dezelfde gebeurtenissen. Tegelijkertijd is het altijd acuut en intens. Intens zijn ook de momenten van ontroering die me soms overvallen, door een vraag, door een blik, door hoe groot ze zijn, door hoe klein ze zijn, door het simpele feit dat het mijn kinderen zijn.

Queering

Trots is een belangrijk element van de emancipatie van de LHBTI-beweging. Ik ben trots op mijn gezin, omdat we los van de gebaande paden onze eigen weg kiezen. Binnen ons gezin weten we heel goed wat echt ouderschap is. We hebben de goedkeuring van andere mensen niet nodig om ons gezinsleven vorm te geven. We bepalen zelf wel wat een ‘echte’ ouder is, hoe een familie eruit kan zien.

Daarom spreekt de interpretatie van het woord ‘queer’ als een werkwoord me zo aan. Meestal gebruikt men het woord ‘queer’ als een bijvoeglijk naamwoord, een label dat je kunt plakken op alles wat niet helemaal hetero is. Sinds de ontwikkeling van het vakgebied ‘Queer Theory’ eind jaren tachtig gebruikten academici de term ook als werkwoord. Queer, of ‘queering’ betekent dan een verzet tegen bestaande normen over gender, seksualiteit en bijhorende rolpatronen . Want waarom is een ‘echte’ moeder per se biologisch verwant aan haar kind? En waarom zou een man geen gezin kunnen vormen met twee goede vriendinnen die elkaars geliefden zijn? Als je ‘queer’ gebruikt als werkwoord, is het niet het zoveelste hokje waar je mensen in kunt plaatsen, maar is het iets wat je doet. Met ons meeroudergezin ‘queeren’ wij die zogenaamde hoeksteen van de samenleving, het gezin. Zoals de Britse journalist Amelia Abrahams het in haar boek Queer Intentions omschrijft: we nemen de traditie en maken er iets nieuws van – iets wat ook ons past.

Die trots is moeilijk te rijmen met de pijn die ik voel als iemand vraagt wie de echte moeder is, of als ik weer eens een formulier invul voor school, de gemeente of een onderzoek en er geen vakje voor een derde ouder is. Als ik de goedkeuring van andere mensen niet nodig heb, waarom raken die situaties me dan zo?

Elke keer wanneer iemand met de woorden ‘echte moeder’ alleen de biologische moeder aanduidt, voelt dat als aantasting van de band tussen mij en mijn niet-biologische kind. Dat is onze eerstgeborene, mijn zoon, het kind waar we met z’n drieën zo hartstochtelijk naar verlangd hebben, die ik heb zien groeien vanaf de eerste stip op de echo tot nu onlangs zijn eerste schooldag. Hij gaf ons het ouderschap.

Het bestempelen van de band tussen mij en mijn zoon als minder ‘echt’, treft niet alleen mij, maar ook mijn zoon. Hetzelfde geldt voor de band tussen mijn dochter en haar niet-biologische moeder, mijn vrouw, en de band tussen onze beide kinderen en hun vader, die volgens de wet niet als vader bestaat in hun leven. Twijfels over de legitimiteit van ons ouderschap, hoe subtiel ook, raken ook onze kinderen. Elke ouder zal begrijpen dat dát is wat pijn doet.

Ireële angst

Diep onder die pijn verborgen zit een angst, dat de rechten die we ons verworven hebben als regenbooggezin ons ook weer afgenomen kunnen worden. Dat de publieke opinie zich kan keren tegen alles wat niet in het traditionele plaatje past en dat er dan een moment komt dat ik mijn kinderen niet de bescherming kan bieden die ze nodig hebben.

In het Nederland van nu lijkt dat een absurde, irreële angst: nooit had de LHBTI-gemeenschap hier zoveel vrijheid. Maar niet ver buiten onze landsgrenzen, nog binnen de EU, bestaan in Polen ‘LHBTI-vrije zones’ en is er in Hongarije onlangs een wet aangenomen die het spreken over LHBTI-thema’s met kinderen verbiedt. Met die ontwikkelingen in gedachten lijkt mijn irreële angst ineens een stuk minder dwaas.

Gelukkig beschermt de Nederlandse wet de band tussen mij en mijn kinderen. Ik ben opgewassen tegen vragen over de echtheid van mijn ouderschap, want op papier ben ik hun moeder. De band tussen onze kinderen en hun vader geniet veel minder juridische bescherming.

Het wrange is dat, om het juridisch ouderschap van mijn vrouw en mij mogelijk te maken, de vader afstand moest doen van zijn wettelijke vaderrol. Dat betekent dat hij geen beslissingen over ze mag nemen in medische noodsituaties en over schoolzaken, dat hij zonder expliciete toestemming van mijn vrouw en mij ze niet mag ophalen van school en de crèche, dat onze kinderen extra belasting moeten betalen over zijn erfenis of als hij ze geld schenkt voor hun studie, en dat als mijn vrouw en ik zouden overlijden onze kinderen voor de wet wees worden.

Deze onrechtvaardigheid lossen we niet op met ‘queer pride’ alleen. We hebben politici nodig die onze trots verdienen, die het woord ‘queer’ als werkwoord durven toe te passen op het familierecht. We hebben een regering nodig die durft te doen wat het vorige kabinet naliet: het advies van de Staatscommissie Herijkingouderschap uit 2016 opvolgen en een goede meerouderschapswet invoeren. Dit advies was glashelder. Het is in het belang van een kind dat de wet aansluit bij de realiteit waarin het opgroeit. Voorzie daarom in een wet die erkent dat een kind ook drie of vier ouders kan hebben.

Onvoorwaardelijke liefde

VVD en D66, de partijen die nu de formatie leiden, beloofden al in 2017 meerouderschap in te voeren. Tijdens het COC-verkiezingsdebat begin dit jaar hernieuwden zij die belofte. Willen deze partijen het vertrouwen van de LHBTI-community niet voorgoed verliezen, dan mag deze afspraak niet ontbreken in het regeerakkoord.

De kennis in de zandbak heb ik maar weer uitgelegd hoe de vork in de steel zit. Zullen mensen, als mijn kinderen wat ouder zijn, hen ook onbeschaamd vragen naar wie hun ‘echte’ ouders zijn? Ik vermoed dat mijn zoon en dochter de vraag nooit helemaal zullen begrijpen. Ze kennen maar één werkelijkheid: die van een papa en twee mama’s, van twee huizen en twee katten, van vrolijkheid en soms verdriet, van gelach en ook geruzie, van hagelslag in het weekend en fruit mee naar school, en van onvoorwaardelijke liefde van al hun ouders.