Opinie

Klaas Dijkhoff: ‘Ongelijkheid is niet per definitie een probleem’

Samenleving Ongelijkheid is geen probleem zolang het geen ongelijkwaardigheid oplevert. Het is nodig dat iedereen zo gelijk mogelijke kansen heeft en vals spel wordt aangepakt, meent .
James Ward, ‘The Rocking Horse’ (1793)
James Ward, ‘The Rocking Horse’ (1793)

In Nederland heeft het woord ‘ongelijkheid’ op voorhand een negatieve connotatie, zeker als het gepaard gaat met het frame ‘groeiende kloof’. Dat werd duidelijk uit een reeks artikelen in NRC over ongelijkheid. Deze impliciete veroordeling van ongelijkheid roept bij mij als liberaal weerstand op. Ongelijkheid is niet per definitie een probleem. Ongelijkheid is het onvermijdelijke bijproduct van vrijheid. Ongelijkheid veroorzaakt veel ongemak, maar dat is nog geen reden haar te veroordelen. Ongelijkheid wordt pas een probleem als het ongelijkwaardigheid veroorzaakt en mensen het gevoel geeft te leven in een rigged game society waar de uitkomst bij voorbaat vastligt en vooruitkomen in het leven niet meer mogelijk is.

Mijn schrikbeeld is juist een samenleving die geobsedeerd is door gelijkheid, zoals Aldous Huxley in zijn meesterwerk Brave New World schetst. Weliswaar bestaan er verschillende klassen, maar binnen een klasse is er totale gelijkheid. Door fysieke limitering van het IQ, door hersenspoeling (inclusief elektroshocks) vanaf de wieg om ambitie te voorkomen, door kinderen niet geboren te laten worden en op te laten groeien bij ouders, maar in staatsinstellingen te kweken (tot 96 identieke kinderen per eicel – en u dacht dat een tweeling al druk was) en door levenslange medicatie met een ontspannende, gevoelens en ambities dempende drug SOMA, is er per klasse totale gelijkheid. Een dystopie, zoveel is duidelijk.

Verliezerssocialisme

Het is de vraag wat er, naast toenemende ongelijkheid, nog meer in onze samenleving gebeurd is. Als we puur kijken naar welvaart, gaat het met iedereen steeds beter. Wie alleen jammert over het gegroeide verschil maakt zich schuldig aan verliezerssocialisme (een term gemunt door Rutger Bregman, dus het moet wel deugen). Zelfs de allerarmsten zijn nu beter af dan voorheen.

Voor een paar tientjes een ticket naar de zon, alle informatie van de wereld in je handpalm, elke film op afroep beschikbaar, goede zorg en onderwijs: het is nu voor vrijwel iedereen beschikbaar, ook aan de minder welvarende kant van de ongelijkheid. Wat wil een mens nog meer? Wat hadden we dan liever gehad? Met z’n allen meer gelijk en slechter af?

Lees ook: Nederland snakt naar saamhorigheid, maar hoe dan?

Resteert de ongelijkheid die ongelijkwaardigheid dreigt te veroorzaken. Deze is wel degelijk problematisch, want ongelijkwaardigheid tast de vrijheid en waarde van elk individu aan. Zeker als dit type ongelijkheid zichzelf generatie op generatie versterkt, verbrandt ze bruggen tussen verschillende sociale posities. Dan ontzegt ze mensen bij voorbaat kansen. Dan wordt de vraag of iemand aan de positieve of negatieve kant van ongelijkheid eindigt, bij geboorte al beantwoord. Dan wordt die sociale positie van generatie op generatie versterkt. Dan eindigen we alsnog in de dystopie van verschillende klassen met daarbinnen een grote mate van gelijkheid, maar zonder kans om de maatschappelijke ladder te beklimmen.

Om dit scenario te voorkomen is onderwijs van oudsher het voornaamste reparatiemiddel – ‘The great equalizer’ die zorgt voor gelijke kansen. Lang hebben we alle ongemakken over ongelijkheid afgekocht met de roep om meer geld naar onderwijs. Gecombineerd met een groot geloof in meritocratie zouden zo alleen je talent en je inzet de reden voor ongelijkheid zijn. Met als omgekeerde effect de impliciete opvatting dat het aan de verkeerde kant van de ongelijkheid eindigen ook gevolg is van je eigen (gebrek aan) inzet.

Vrijheid en gelijkwaardigheid vereisen een overbrugbare ongelijkheid in kansen

Zo werkt het niet. Succes gaat vaak samen met inzet, maar naast inzet moet er ook een hoop goed vallen. Zeker, daarin speelt onderwijs nog altijd een grote rol. Maar het zorgt niet voor volledig gelijkwaardige kansen. Je ouders, je IQ, je wijk, je welvaart, je familievermogen, je netwerk, je afkomst, ze hebben allemaal invloed op je kansen voor de toekomst.

Onderwijs moet de ongelijkheid van kansen wel verkleinen en vooral ieder mens helpen zichzelf te ontwikkelen en een zo groot mogelijke kans te hebben op een fijn leven. Een heel leven lang toegang tot passende opleiding en zelfontplooiing is een eerste vereiste om ongelijkwaardigheid te bestrijden.

Een tweede vereiste is het bestrijden van de stapeling van ongelijkheid die tot ongelijkwaardigheid leidt. Gevoelsmatig is ongelijkheid eerlijk als het een resultaat is van verdienste. Als alle anderen door dezelfde keuzes te maken en dezelfde inzet te tonen, ook aan de goede kant van de ongelijkheid hadden kunnen belanden. Ook het element toeval en geluk kunnen we nog goed plaatsen. Een ander won de loterij, mazzel, maar voor hetzelfde geld hadden wij gewonnen. Messi is rijk geworden met voetballen, maar ja, die heeft toevallig een uitzonderlijke talent dat wij niet hebben.

Lees ook: De grote scheefgroei: dit zijn de vijf belangrijkste ongelijkmakers

Ongelijkheid gaat vooral oneerlijk voelen als er een element van vals spelen bij komt kijken. Fraude, uitbuiting, doping, een gekocht diploma of banen die verdeeld worden via nepotisme zijn de duidelijkste vormen. Maar ook een stapeling van voordelen die wel degelijk gecombineerd zijn met verdienste, gaat steeds meer schuren.

Een erfenis is mazzel, maar een stapeling van per generatie steeds groter wordende erfenissen schuurt. Een bedrijf opbouwen en er een miljard mee verdienen is een verdienste. Maar daarna geld geld zien maken en een hele wijk opkopen waar tientallen anderen graag hun eerste en enige huis hadden gekocht, schuurt.

Een kind dat bij geboorte al verzekerd is van zoveel geld dat zij of hij nooit hoeft te werken, schuurt. (Met vijf generaties hoogbegaafdheid, muzikaliteit of voetbaltalent hebben we dan weer geen moeite, de drijver van ongemak over ongelijkheid is doorgaans financieel).

Glijdende schaal

Met deze glijdende schaal moeten we ook rekening houden als we deze vorm van ongelijkheid, die leidt tot ongelijkwaardigheid, willen bestrijden. Een eigen huis hebben en de waarde zien stijgen, is een mazzeltje dat we elkaar doorgaans gunnen. Je oude huis aanhouden en verhuren als je in de koopwoning van je geliefde trekt of een appartementje voor dochter of zoon die gaat studeren, dat voelt ook nog niet als een grove oneerlijkheid. Die zaken combineren, nog een vakantiehuisje in Zeeland erbij en misschien eens wat huizen kopen en opknappen voor de verhuur begint al te schuren. Halve wijken opkopen en verhuren aan mensen die die huizen liever zelf hadden gekocht, ontneemt velen een kans ten gunste van een enkeling.

Het antwoord moet dan ook niet zijn: het verhogen van de belasting voor het kopen van huizen en de overwaarde ervan voor iedereen, maar het mee laten stijgen van de belasting naarmate iemand meer huizen bezit en het belasten van overwaarde van huizen waar men niet zelf in woont. De lokaal aan populariteit winnende ‘zelfbewoningsplicht’ kan ook in deze logica passen.

Vrijheid en gelijkwaardigheid vereisen een overbrugbare ongelijkheid in kansen. Pas dan kan elk individu zich ontwikkelen, de wereld mooier maken en op haar of zijn eigen manier voor een vorm van ongelijkheid zorgen die we moeten koesteren, inclusief het bijbehorende ongemak.

Demp en corrigeer tot op zekere hoogte, accepteer het resterende verschil dat schuurt en omarm het verschil dat we in vrijheid creëren en dat het leven kleur geeft.