Hoe komt het dat we ons niets herinneren van de eerste twee jaar van ons leven?

Geheugen Van de eerste twee jaar van zijn leven heeft niemand betrouwbare herinneringen. Hoe kan dat? Een taalkundige geeft daar een ander antwoord op dan een neurowetenschapper.

Illustraties Jasmijn van der Weide

Wat is echt en authentiek in een herinnering? Foto’s, verhalen van anderen, nieuwe inzichten: in de loop der jaren worden autobiografische herinneringen steeds verder aangekleed en aangevuld. Maar ik heb ooit ervaren hoe een zuivere jeugdherinnering voelt: vaag en onheilspellend. Als volwassene ging ik Tom Sawyer lezen, een boek van Mark Twain. Het werd een verbijsterende ervaring. Eenmaal begonnen bleek ik innerlijke zekerheden te bezitten over hoe het verhaal verder ging. Nog voor ik een volgende bladzijde omsloeg wist ik: nu komt er iets met een muur, alsof een vreemde geest mij informatie influisterde, zonder enige context.

Het werd steeds enger, tot ik me realiseerde dat ik het boek voor de twééde keer las. Misschien was ik een jaar of negen toen ik het de eerste keer las. En toen kon ik zelfs bedenken welke Twain-uitgave dat moest zijn geweest, zo’n donker gebonden boek met ook Huckleberry Finn erin – maar controleren kan ik dat niet. De koude herinnering is aangekleed, het oergeheugengevoel is verdwenen.

Een gigantisch corpus

Het is een belangrijk geheugenfenomeen: iedere keer als een herinnering wordt opgeroepen, wordt dat geheugenspoor opníeuw opgeslagen, inclusief relevante verbeteringen en aanvullingen, die misschien waar zijn, maar oorspronkelijk geen deel waren van de herinnering. Regelmatig opgeroepen, kan een herinnering aldus mee-evolueren met het leven. Zoals Douwe Draaisma schrijft in zijn nog altijd actuele Vergeetboek (2010): „Onze herinneringen zijn eerder reconstructies dan recapitulaties van onze ervaringen en die reconstructies staan niet alleen onder invloed van wie we ooit waren maar ook van wie we zijn geworden, niet alleen van het verleden, maar ook van het heden waarin herinneringen worden opgehaald.” Je kan dat onbetrouwbaar vinden, zegt Draaisma, emeritus hoogleraar geschiedenis van de psychologie, via Zoom. „Maar je kan het ook actualisering van de informatie noemen. De functie van het geheugen is niet om alles precies te onthouden, maar om ervaringen te bewaren die relevant kunnen zijn.”

En hoe langer geleden, hoe wankeler en fragmentarischer de herinneringen. Van het begin is sowieso geen spoor meer te vinden, de eerste levensjaren zijn verdwenen. In zijn boek citeert Draaisma daarover de filosoof Cornelis Verhoeven, die ooit zei: „Wij zijn laatkomers in onze eigen geschiedenis.” En wie wél herinneringen aan die allervroegste jeugd denkt te hebben, kan dat maar beter ‘fictieve herinneringen’ noemen, oordeelde een paar jaar geleden de geheugenonderzoeker Martin Conway (University of London) in een groot onderzoek naar vroege herinneringen (Psychological Science). ‘Fictief’, de term is vriendelijk bedoeld, veel beter dan ‘valse’ herinneringen, schrijft Conway. Want die negatieve term ‘vals’ mag in juridische conflicten bijzonder nuttig zijn, maar in het leven zelf kunnen die ‘fictieve herinneringen’ best een positieve rol spelen. Al was het maar door het ondersteunen van een consistent en positief zelfbeeld, aldus Conway, dat weer kan bijdragen aan positieve sociale interacties. Niks bijzonders: ook uit latere periodes bevat het autobiografisch geheugen veel fictieve herinneringen, schrijft Conway: „In feite bevatten alle herinneringen enige mate van fictie. Sowieso zijn alle herinneringen samengeperst in de tijd en bevatten dus nooit de letterlijke ervaring waar ze op gebaseerd zijn. En ook zitten er in alle herinneringen details die bewust of onbewust zijn toegevoegd.” Alleen al de kleren die gedragen werden, het weer, het precieze moment van de dag, letterlijke conversaties: het wordt bijna allemaal later gereconstrueerd. Je kan ook zeggen: verzonnen, en vervolgens soepel toegevoegd aan het geheugenspoor.

Sommige wetenschappers zien zelfs twéé fases waarin ervaringen uit de kindsheid worden vergeten

Mark Howe University of London

Conway’s onderzoek uit 2018 is een van de grootste naar jeugdherinneringen tot nu toe, op basis van een BBC-enquête, waarop maar liefst 6.400 mensen vroegste herinneringen inzonden. De gemiddelde leeftijd waarop die eerste herinneringen naar eigen bewering werden opgedaan, lag rond de drie jaar en vier maanden, een heel normaal gemiddelde in dit soort onderzoeken. Maar de spreiding was enorm: maar liefst 40 procent van de opgegeven herinneringen zou teruggaan tot voor de tweede verjaardag, en meer dan 10 procent zou zelfs uit het eerst levensjaar stammen – opvallend genoeg het meest bij mensen van middelbare leeftijd of ouder. Normaal worden in dit soort onderzoeken tientallen, hooguit honderden proefpersonen ondervraagd en worden ouders of andere naasten om controle van de vroege herinneringen gevraagd. Maar door de opzet van het onderzoek (een gigantisch corpus, maar geen nadere ondervraging) was hier controle onmogelijk. Verrassend veel inzenders hadden krachtige herinneringen aan het liggen in de wieg of de kinderwagen: „Ik zie nog steeds van binnenuit het patroon van de kap voor me, en de slinger met speeltjes: de gele, roze en blauwe lammetjes die rammelden als ik er tegen sloeg.”

Grens van vergetelheid

Onmogelijk, zo’n vroege herinnering. De uitkomst van een decennialange wetenschappelijke jacht op de ‘oudste herinnering’ is dat er voor het tweede jaar en een paar maanden nooit betrouwbare herinneringen zijn gevonden. In een recente special van het vakblad Memory over ‘New Perspectives on Childhood Memory’ vat jeugdherinneringenonderzoeker Mark Howe (University of London) de toestand aldus samen: in de eerste jaren vergetelheid en dan nog jaren vergeetachtigheid. „Sommige wetenschappers zien zelfs twéé fases waarin ervaringen uit de kindsheid worden vergeten: een bijzondere zware vergetelheid voor herinneringen tot de leeftijd van twee jaar en daaropvolgend een minder dichte vergetelheid die tot een leeftijd van of vijf, zes, zeven jaar duurt.”

Dat die grens van de vergetelheid ligt bij ongeveer twee jaar, wordt in heel veel onderzoeken bevestigd. De ware kunst van onderzoek van vroege herinneringen is altijd de controle: kloppen de onthouden feiten? Had die kinderwagen überhaupt wel zo’n slinger met rammelende schaapjes? Gaat die dierentuinherinnering niet terug op een latere mijmering bij het zien van een foto? Een van de elegantste onderzoeken op dit gebied werd al in 1998 gepubliceerd, en ook daarin werd de grens bij twee jaar en een paar maanden gelegd (Journal of Experimental Psychology: General). De Britse psychologen Madeline Eacott en Ros Crawley ondervroegen toen bijna zeventig proefpersonen over de omstandigheden tijdens de geboorte van een jonger broertje of zusje. Het waren vragen als: wie vertelde je dat je moeder een kind ging krijgen, wie ging met haar mee toen ze weg ging, heb je haar en het nieuwe broertje of zusje nog bezocht in het ziekenhuis, enzovoorts. Het geniale van dat onderzoek was dat ter controle niet alleen de moeder naar dezelfde feiten werd gevraagd, maar óók het jongere broertje of zusje. Wat dat jongere broertje of zusje zelf kon vertellen, kon alleen maar afkomstig zijn van verhalen die thuis rondgingen, en die had het oudere kind allicht ook gehoord. Die details konden dus nooit als ‘onmiskenbaar authentiek’ gelden. De conclusie van de twee psychologen: „We zien een scherp begin van kindertijd-geheugenverlies in de eerste helft van het derde levensjaar.”

Steeds onwaarschijnlijker

„Zelf zou ik niet zo snel tegen iemand met een héél vroege herinnering zeggen dat-ie het verzonnen moet hebben”, zegt Douwe Draaisma op milde toon vanuit Groningen. „Het verhaal wordt natuurlijk wel steeds onwaarschijnlijker, hoe ouder het is. Zelf heb ik een eerste herinnering die klassiek is voor mijn generatie: dat ik met mijn voet tussen de spaken kwam, achter op de fiets bij mijn moeder. Ik was toen tweeënhalf. Tegenwoordig zijn op de fiets die kindervoetjes gelukkig veel beter beschermd. Een andere klassieker uit mijn generatie is dat mensen zich herinneren dat hun amandelen werden geknipt, dat gebeurde toen ook heel vaak bij jonge kinderen. Maar je ziet ook mensen wier oudste herinnering pas uit het zevende levensjaar lijkt te komen.”

Het menselijk geheugen is gericht op afwijkingen van de routine

Douwe Draaisma emeritus hoogleraar

De kindertijdvergetelheid, childhood amnesia, is een voldongen feit. Toch weet iedereen die wel eens een kind van onder de twee heeft meegemaakt dat die best wel íets kunnen onthouden. Waardoor dan toch dat grote vergeten? Draaisma: „In de wetenschap is het antwoord op die vraag opgedeeld per vakgebied. Als je het aan een ontwikkelingspsycholoog vraagt, ligt het aan de ontwikkeling van het eigen ik na het tweede jaar, waardoor dan pas het autobiografische geheugen een ankerpunt krijgt. Maar vraag het aan een neuroloog en die zal wijzen op de hersenontwikkeling. Een taalkundige benadrukt weer het belang van de groei van taalvaardigheid.”

De álleroudste herinneringen

Alleen al door de grote verschillen in de leeftijd van de oudste herinneringen moet er een samenspel van verschillende factoren zijn, denkt Draaisma. „Natuurlijk heeft die neuroloog gelijk: in de eerste jaren maken de hersenen een enorme groei door, van 350 gram bij de geboorte tot 1.000 gram bij de eerste verjaardag en dan nog verder. Maar als dat de enige factor was, zou iedereen ongeveer op hetzelfde moment blijvende herinneringen moeten opdoen, want die hersenontwikkeling verloopt volgens vrij strakke kaders.”

Een andere belangrijke factor is dan ook die taalontwikkeling waardoor ‘ontalige’ herinneringen later vrijwel onvindbaar worden. Draaisma: „Herinneringen worden opgeslagen in het begrippenkader van dat moment, met de associaties van toen. Bij heel vroege herinneringen heb je nog helemaal geen taal. Als die later in taal worden omgezet, kun je afvragen wat er overblijft van dat oorspronkelijke spoor. Andere worden later eenvoudigweg niet meer teruggevonden, alsof ze nog op een floppydisk staan terwijl de rest al op een ssd wordt opgeslagen. Die herinneringen reizen dan niet meer mee in je leven, de code is verouderd.”

Draaisma betwijfelt overigens of die ontwikkeling van het zelf een belangrijke rol speelt in de álleroudste herinneringen, „want die ontwikkeling komt pas ver ná je tweede verjaardag goed op gang”. Hij benadrukt juist een andere factor: „Het menselijk geheugen is gericht op afwijkingen van de routine, op de eerste keren dat je iets overkomt. Maar dan moet je die regelmaat én de afwijking wel kunnen herkennen! Dat valt voor een peuter nog niet mee, als het brein zo onrijp is en herinneringen ook nog eens makkelijk zoekraken. Mede dáárom komt dat autobiografische geheugen zo stotterend en haperend op gang. Zelfs als je drie of vier bent, verandert er zóveel tegelijk in het leven, dat kan het geheugen niet allemaal bijbenen. In het grote schema van de evolutie is het voor een organisme ook helemaal niet belangrijk om die startfase te onthouden.”

Aan het einde van zijn essay over de eerste herinnering (in Vergeetboek) geeft Draaisma nog een treffend voorbeeld van wat hij de menselijke onmacht tegenover het prille geheugen noemt. De journalist Nico Scheepmaker bracht ooit een grote verzameling van eerste herinneringen bijeen (De eerste herinnering, 1988). Daarin zit er ook een van de schilderes Arja van den Berg: „Toen ze een jaar of drie was keek haar moeder haar op een keer indringend aan en zei: ‘Dit moet je je altijd blijven herinneren!’ En dat is het enige wat ze zich herinnert.”

Illustraties Jasmijn van der Weide