Perziken uit Fukushima

Lopend vuurtje Dennis Boxhoorn noteert in Tokio wat hem opvalt tijdens de Olympische Spelen.
Lopend vuurtje

Om half vier ’s ochtends stapte ik verkreukeld in een bus naar Fukushima, de plek die tien jaar geleden door rampspoed werd overvallen. Een zeebeving, een tsunami en een kernramp knevelden een gebied zo groot als België. Zestienduizend mensen stierven, 35.000 raakten ontheemd. De getallen zeiden me weinig. Ik ging er liever zelf kijken.

Een collega vroeg of ik mijn geigerteller bij me had. Van kernenergie wist ik zo weinig dat ik moest opzoeken wat het betekende. Ik belde met mensen die vaker in Fukushima waren geweest en leerde dat de straling die in de hoofdstad werd gemeten al jaren lager was dan die in Hongkong. Geen zorgen.

Van kernenergie wist ik zo weinig dat ik moest opzoeken wat het betekende

Ik vond een nieuwslezeres van een lokale tv-zender bereid me rond te leiden. Als wederdienst wilde ze mij volgen met een cameraman. Voor het imago van Fukushima was het essentieel om een Europeaan te laten vertellen hoe veilig het er was.

We reden naar een perzikboer buiten de stad. Hij vertelde trots over de eerste oogst van het jaar, met perziken zo groot als meloenen. Vijf jaar geleden was zijn handel voor het laatst doorgelicht. Stralingsniveau nihil.

Ik kreeg het mooiste exemplaar van de dag aangereikt, dat ik moest afhappen in het midden, bij het zoetste. De cameraman zoomde in terwijl het sap over mijn kin droop.

Als dank voor mijn komst kreeg ik een doos vol perziken mee. Die heb ik, na wat aarzeling, toch maar in Fukushima achtergelaten.