Opinie

Drie zwarte baretten op een ereschavot

Paul Scheffer

Het waren natuurlijk de Spelen van Bob Beamon, die een onwaarschijnlijk wereldrecord vestigde bij het verspringen: 8,90 meter. De kranten schreven er in grootse bewoordingen over: „Het publiek, dat na de machtige sprong doodstil op de uitslag had zitten wachten, wist dat het getuige was geweest van een historisch moment.” Inderdaad, daar in de ijle lucht gebeurden buitenaardse dingen.

Bij de opening van de Olympische Spelen in Tokio gaan mijn gedachten terug naar die Spelen van 1968 in Mexico-Stad. Ik blader door de knipselmap die ik als veertienjarige samenstelde en kom de overwinningen van Ada Kok op de 200 meter vlinderslag tegen en van Jan Wienese bij het roeien. Joop Zoetemelk won met drie ploeggenoten op de honderd kilometer tijdrit. Ada, Jan en Joop: hoeveel onschuld kan een mens aan?

Verder was het trouwens een bloedig jaar. Ruim een week voor de Olympische Spelen vond het bloedbad van Tlatelolco plaats. Op 2 oktober werden twee- tot driehonderd studenten in deze buitenwijk van Mexico-Stad doodgeschoten tijdens protesten. Daarmee werd het positieve imago tenietgedaan dat het sportevenement had moeten opleveren. Van allerlei kanten werd, zoals wel vaker, opgeroepen tot een boycot.

Joop den Uyl sprak in het parlement: „Als de olympische fakkel dezer dagen in Mexico-City wordt ontstoken, zal dat gebeuren achter een haag van gewapende soldaten en ook voor wie nooit zo heel erg heeft geloofd in de woorden ‘volkenverbroedering door sport’, kan zich moeilijker een absurder schilderij voorstellen dan dat van spelende mensen onder een paraplu van traangasgranaten”.

Ook op een andere manier kwam de wereld binnen. De zwarte atleten Tommie Smith en John Carlos stonden tijdens de uitreiking van de medailles op de 200 meter met gebogen hoofd en geheven vuist op het ereschavot. Ze hadden geen schoenen aan, om de armoede van de zwarte Amerikanen te benadrukken. Dat beeld staat in het geheugen gegrift van een generatie: de burgerrechtenbeweging was onontkoombaar.

Het gebaar werd niet door iedereen op prijs gesteld. De atleten verloren hun plek in de Amerikaanse ploeg en moesten onmiddellijk het olympische dorp verlaten. Tijdens de 400 meter herhaalde het protest zich. De drie medaillewinnaars stonden op het podium met een zwarte baret: Ron Freeman, Larry James en Lee Evans, die een geweldig wereldrecord liep.

Eddy Monsels, de enige Surinaamse atleet op de Spelen, begreep het wel: „Politiek en sport zijn niet te scheiden. Een Amerikaanse negeratleet heeft zijn sport bovendien nodig voor zijn maatschappelijke carrière. De Olympische Spelen zijn voor Carlos en die anderen heel begrijpelijk het moment geweest om Black Power over te seinen. Het was menselijk en logisch wat zij deden.”

De knipsels voeren me terug naar de polemiek van die dagen. Wat opvalt zijn afwijzende reacties uit Afrikaanse delegaties. Zoals die van de Nigeriaanse official Peter Osugo: „Smith en die anderen moeten niet denken dat ze Afrika met Black Power steunen. Het zijn geen Afrikanen, ze winnen geen medailles voor Afrika. Voor mij betekenen Olympische Spelen niet prestatiemogelijkheden voor een land of een ras.”

Het was een eindeloos verwarrende tijd, zeker voor een veertienjarige die opgroeide in een gezin waar Martin Luther King werd vereerd. King was eerder dat jaar vermoord. Al bladerend door mijn plakboek realiseer ik me dat die tijd ver weg lijkt en toch nabij is. Kolommen werden gevuld met de doorbraak van zwarte atleten. Dat ging over veel meer dan sport, want mede dankzij die baretten op het podium klinkt de roep om burgerrechten tot in deze tijd door.

We denken dat onze wereld een ongekende verandering doormaakt, maar vijftig jaar geleden verkeerde de wereld ook in een stroomversnelling. Die heftige tijd echode in het stadion. Een kleine greep uit de koppen: „Rellen bij Guatemala-Tsjechoslowakije”, „Boksen werd slachtpartij”, „De martelgang van Diego de Leo”. Dat laatste ging over de scheidsrechter die in de voetbalfinale binnen enkele minuten drie Bulgaren rood gaf.

Toch viel er veel moois te beleven. De ‘ruimtevlucht’ van Bob Beamon sprak het meest tot mijn verbeelding in het jaar dat alles mogelijk leek. Hij verbeterde het wereldrecord in één klap met meer dan een halve meter. In de ruim vijftig jaar daarna is nog vijf centimeter verder gesprongen. Ik heb het vaak teruggezien en telkens voel ik de opwinding: „De elektronische ogen van het scorebord lichtten langzaam op. Eerst verscheen een acht, daarna een negen en toen een nul.”

Paul Scheffer schreef onder meer Het land van aankomst en De vorm van vrijheid.