Je moet altijd bloemen in huis hebben

‘Zij was de baas, de moeder overste, de Grote Roerganger. Mijn dochter had dat meteen in de gaten.’

Deel 3: De vrouw uit het park.

Illustratie Sharon Coone

Ze had een naam, natuurlijk, maar die paste niet bij haar, paste niet bij hoe ik me tot haar verhield. Te alledaags, te concreet. Voor mij was en bleef ze de vrouw uit het park. Bijna iedere dag kwam ze naar ons toe, de vrouw uit het park. Ze nam fruit mee, groenten waar ze soep van maakte, bloemen. Je moet genoeg eten, zei ze, je moet altijd bloemen in huis hebben. Tussen de middag stuurde ze me naar bed voor een dutje, waarna er een subliem gehalveerde en ontvelde grapefruit voor me klaar stond. Ze zong liedjes voor mijn dochter, Jiddische liedjes die ze van haar Joodse grootmoeder had geleerd, Az der rebbe zingt, zingen ale khasidim. Ze masseerde mijn schouders, zette niet alleen het vuilnis buiten maar onthield godbetert op welke dag het buitengezet mocht worden.

Als ik het zo formuleer, klinkt het alsof ze bij me in dienst was. Zo voelde het niet, op een rare manier was het eerder omgekeerd: zij was het die ons ritme bepaalde, ons voedde, troostte, corrigeerde, prees. Zij was de baas, de moeder overste, de Grote Roerganger. Mijn dochter had dat meteen in de gaten. In haar armen stopte ze acuut met jengelen, brullen, of waar ze dan ook mee bezig was. Met grote, verbaasde ogen keek ze haar aan, om ze daarna abrupt te sluiten, lijfje slap, trillende wimpers, een laatste zucht van overgave.

Voodoo, hekserij.

Ach welnee, zei ze, ze had gewoon vaak geoefend op baby’s. Na een paar afgebroken studies had ze jarenlang gewerkt als au pair. Sydney, Beijing, Vancouver, Cannes. De rijken, vertelde ze, gaven hun kinderen zo snel mogelijk uit handen. Hoe rijker, hoe eerder. Ze was eens meegereisd naar een privékliniek, waar ze op de gang naast de verloskamer had gewacht op de baby. Twee uur na zijn geboorte had ze hem zijn eerste flesje gegeven.

Het geheim van een succesvolle au pair, vertelde ze, is dat ze haar onmisbaarheid sporadisch maar doeltreffend kenbaar maakt. Dat de werkgever verloren is zonder haar, moet als een mild wanhopig, woordeloos gevoel aanwezig zijn in zijn bewustzijn. Op die manier eet hij uit je hand, begrijp je wel, in plaats van andersom.

Hoe zoiets precies in zijn werk ging, liet ik na haar te vragen. Zoals ik het ook naliet me af te vragen wat ze eigenlijk bij ons zocht. Ze had ooit veel geld verdiend als advocaat en aandeelhouder bij een betaalplatform, maar dat was allemaal lang geleden. Geliefden had ze bij gelegenheid. Geen ouders, geen kinderen. Het voorseizoen bracht ze door op het Isola San Clemente in de baai van Venetië. Ooit hadden er monniken gewoond, daarna was het bijna anderhalve eeuw een gesticht geweest voor vrouwen. Nu stond er een hotel.

Natuurlijk nodigde ze ons uit mee te reizen, maar dat leek me meer iets voor de vorm. Over iets minder dan drie weken zou ze erheen gaan, per trein. Haar vertrek zou een voorlopig, en misschien definitief, einde betekenen van een korte, intense vriendschap. Dacht ik toen nog.

Volgende week: dit was haar straat niet.