Graven in oasestad Palmyra fungeren als spiegels van het wel en wee van de elite

Archeologie Versierde graven in Palmyra zeggen veel over de maatschappelijke conjunctuur in deze oasestad. Als het slecht ging, nam de pracht af.

Een sarcofaag in de zuidoostelijke necropolis van Palmyra. Te zien zijn een familiehoofd en zijn zoon, die leefden rond 128 na Christus.
Een sarcofaag in de zuidoostelijke necropolis van Palmyra. Te zien zijn een familiehoofd en zijn zoon, die leefden rond 128 na Christus. Foto Getty Images

Drie eeuwen lang was Palmyra, een oasestad in Syrië, een cruciaal knooppunt tussen het Romeinse Rijk en de Perzische rijken van de Parthen en Sassaniden. Die strategische positie zorgde dankzij de karavaanhandel voor commerciële en culturele bloei, die is terug te zien in de necropolissen rondom de ruïnes van de stad. Archeologen hebben er honderden grafkamers van de elite blootgelegd, versierd met portretsculpturen. Alleen in Rome zijn meer van dit soort beeltenissen gevonden uit de periode van de eerste tot en met de derde eeuw na Christus.

Onderzoekers van het Palmyra Portrait Project van de Universiteit van Aarhus hebben nu de gegevens van 3.640 portretten, 329 tombes en 729 individuele graven geanalyseerd om te zien of veranderingen in aantallen te koppelen zijn aan politieke en maatschappelijke gebeurtenissen. Conclusie: die koppeling lijkt aannemelijk. De Parthische oorlog (161-166) van Romeinse keizer Lucius Verus en de daaropvolgende pestepidemie leidden bijvoorbeeld tot een afname in de bouw van versierde graven. Het onderzoek is vorige week gepubliceerd in het Journal of Archaeological Science.

Geïdealiseerde figuren

De funeraire cultuur van Palmyra was veelzijdig. Mensen die daar het geld voor hadden, lieten zich begraven in drie soorten grafkamers: torentombes, ondergrondse tombes en huistombes. Dat gebeurde in vier necropolissen. In een tombe bevonden zich verschillende niches, waarin individuen te ruste werden gezet of gelegd. Zo’n niche werd afgesloten met een steen waarop de overledene was vereeuwigd. Het ging daarbij meestal om geïdealiseerde standaardfiguren. De tombes konden worden opengemaakt, en de vondst van waterbakjes, wierookvaten en offergaven duidt erop dat de doden bezoek kregen van hun familie.

Voor hun analyse stopten de auteurs gegevens in een database over de omvang en ouderdom van tombes (vast te stellen aan de hand van stijlkenmerken en inscripties) en het geslacht en de (geschatte) leeftijdscategorie van de afgebeelde doden. Deze informatie vergeleken ze met gegevens uit ander archeologisch onderzoek en geschreven bronnen.

Die vergelijkingen zijn belangrijk, aldus de onderzoekers, omdat je niet alleen naar de toe- en afname van de bouw van graven moet kijken als je iets wilt zeggen over het wel en wee van de elite in Palmyra, de bevolkingsgroep die zich deze pracht kon veroorloven. Fluctuaties konden immers ook worden veroorzaakt door gewone schommelingen in de sterfte.

De auteurs stellen dat Palmyra in de tweede helft van de eerste eeuw na Christus duidelijk onder Romeinse invloed kwam. In deze periode werd een snelgroeiend aantal grafkamers en portretten vervaardigd. Tussen 130 en 160 n.Chr. bereikt deze groei een voorlopige piek, waarna oorlog en pest zorgden voor een pauze. Het aantal begrafenissen nam niet af, dus het lijkt erop dat de elite minder tijd en geld te besteden had.

Tussen 220 en 240 bereikte de aanwas een nieuw hoogtepunt. Opvallend genoeg was dit ook een periode van oorlog in de omgeving, maar de Palmyrezen en hun handel leken er minder last van te hebben. Een andere verklaring kan zijn, aldus de auteurs, dat de bevolking actief betrokken was geraakt bij de krijgshandelingen en gesneuvelde militairen een laatste eer wilde bewijzen. Dat zou ook de relatief sterke groei van het aantal begraven mannen verklaren.

De Romeinse keizer Aurelianus legde Palmyra in 273 n.Chr. in de as

Vanaf 240 zette een daling in van het aantal vervaardigde portretten, die eindigde met de complete ondergang van de nederzetting in 273. Koningin Zenobia van Palmyra was in 270 in opstand gekomen en keizer Aurelianus legde de stad daarom voor straf in de as. De sterke afname vanaf de jaren veertig, is moeilijker te begrijpen, schrijven de auteurs, omdat die niet samenvalt met een belangrijke historische gebeurtenis.

Ze wijzen een aantal mogelijke verklaringen aan: de algehele sociale en politieke malaise die het Romeinse Rijk trof in deze periode – de zogenoemde ‘Crisis van de derde eeuw’ –, de oplopende kosten om een leger te onderhouden, een nieuwe uitbraak van de pest en opspelende klimaatverandering. Vanaf 240 is een toename te zien van inscripties waarop te lezen valt dat een familie een deel van haar graftombe verkoopt. Dat duidt in ieder geval op economisch zware tijden.

De kans is klein dat er nog onbekende portretbustes opduiken om hun bevindingen te verfijnen, schrijven de auteurs. Islamitische Staat richtte omvangrijke vernielingen aan in Palmyra.