Een maand na het sociaal akkoord is er alweer ruzie over flexwerk

Uitzendsector In een nieuwe cao eisen de vakbonden concrete afspraken om uitzendkrachten zo snel mogelijk meer rechten te geven. Werkgevers willen niet te veel haast maken.

De bollenvelden bij Lisse, waar vaak veel uitzendkrachten aan het werk zijn.
De bollenvelden bij Lisse, waar vaak veel uitzendkrachten aan het werk zijn. Foto Nico Garstman

Vorige maand waren werkgeversclubs en vakbonden nog eensgezind: flexwerk moet worden ingeperkt. In een gezamenlijk advies omschreven zij – na lang onderhandelen – hoe het volgende kabinet dat volgens hen kan doen. Onder meer door uitzendkrachten meer rechten te geven, en minder onzekerheid.

Maar in de uitzendsector is nu ruzie over precies dit onderwerp. De vakbonden willen vaart maken. In een nieuwe cao voor alle uitzendkrachten – ongeveer een miljoen per jaar – moet een belangrijk deel van die betere rechten nú alvast geregeld worden, vinden zij. De uitzendwerkgevers, verenigd in brancheorganisaties ABU en NBBU, willen hier meer tijd voor nemen. Zij weigeren tegemoet te komen aan alle vakbondseisen.

Eerder deze week liepen de drie grootste vakbonden – FNV, CNV en De Unie – boos weg van de onderhandelingstafel. „Met knallende deuren”, zegt onderhandelaar Marten Jukema van vakbond CNV. Nu is het cao-overleg in een impasse geraakt. „Wij willen gewoon dat de positie van uitzendkrachten op de korte termijn al verbetert”, zegt Jukema. 

Voorbeeldfunctie

In de Sociaal-Economische Raad (SER) spraken werkgevers en vakbonden vorige maand af dat uitzendkrachten na 3 jaar recht moeten krijgen op een vast contract bij het uitzendbedrijf. Nu is dat nog 5,5 jaar. De uitzendsector was daarmee akkoord. Vakbonden willen dat nú regelen in de cao, de ABU wil dat „gefaseerd in de tijd” doen, laat een woordvoerder weten.

Lees ook: Strengere regels zzp’ers, hoger minimumloon – wat staat er precies in het SER-akkoord?

Bovenal willen de vakbonden dat uitzendkrachten hetzelfde loon én gelijkwaardige secundaire arbeidsvoorwaarden krijgen als vaste werknemers op de werkvloer – zoals het ook in het SER-advies stond. „Evenveel vakantiedagen en dezelfde reiskosten- of thuiswerkvergoedingen bijvoorbeeld”, zegt FNV-onderhandelaar Karin Heynsdijk. „Maar ook evenveel zeggenschap over werktijden. Nu moet een uitzendkracht altijd maar beschikbaar zijn.”

De werkgevers kwamen wel met voorstellen voor snelle verbeteringen, zoals een even hoge dertiende maand als werknemers. Maar voor de vakbondsbestuurders was het te weinig. Heynsdijk: „Het bleef sprokkelen.”

Het zit de vakbonden vooral dwars dat het voor bedrijven nu in veel gevallen goedkoper blijft om een uitzendkracht in te huren dan een werknemer in vaste dienst te nemen. En in het SER-advies was nu juist afgesproken om flexwerk minder aantrekkelijk maken, zodat werkgevers het alleen nog gebruiken als ze die flexibiliteit echt nodig hebben, bijvoorbeeld om tijdelijk zieke werknemers te vervangen.

Goedkoop, want geen pensioen

Uitzendkrachten zijn vooral goedkoop doordat ze amper pensioen opbouwen. Het eerste halfjaar zelfs helemaal niks. Daarna komen ze in een regeling waarvan de pensioenpremie ongeveer tien keer zo laag is als bij ambtenarenpensioenfonds ABP. Het uiteindelijke pensioen wordt daardoor ook veel lager.

De ABU en NBBU zijn bereid om uitzendkrachten al na acht weken een pensioen te geven, in plaats van een half jaar. Maar dat stelt weinig voor, zeggen de bonden, omdat die ingekorte ‘wachttijd’ ook al geregeld zal worden in de nieuwe pensioenwet van demissionair minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken, D66). De vakbonden willen dat ook de pensioenpremie omhoog gaat.

Het liefst zien de vakbonden dat uitzendkrachten vanaf dag één pensioen opbouwen. Als dat niet mogelijk is, willen zij dat uitzendkrachten die geen pensioenregeling hebben op een andere manier financieel gecompenseerd worden, zodat zij alsnog een gelijkwaardige beloning krijgen als hun collega’s in vaste dienst.

Want nu, zeggen de bonden, voelen werkgevers een financiële prikkel om uitzendkrachten weg te sturen voordat hun pensioenregeling ingaat. „Na een half jaar, als er pensioen betaald moet worden, zie je altijd een piek in de uitstroom van uitzendkrachten”, zegt FNV’er Heynsdijk.

Brancheorganisatie NBBU wil niet reageren op vragen van NRC. De grotere uitzendclub ABU wil ook weinig kwijt. „Over de inhoud praten wij aan tafel”, zegt een woordvoerder, „niet via de media”. Wel vindt de ABU-woordvoerder dat de vakbonden „valse aantijgingen” doen. Volgens haar staan de uitzendwerkgevers „vol achter het SER-akkoord”. „Wij zijn zeker bereid om stappen te zetten.” Maar de uitzenders willen daar wel de tijd voor nemen. „Wij noemen dat een ingroeimodel.”

De vakbonden begrijpen dat uitzendbureaus niet alles in één keer willen invoeren. „Het hoeft ook niet allemaal in te gaan bij deze cao”, zegt Gerard van der Lit van vakbond De Unie. „Maar we moeten wel afspreken dát het op enig moment ingaat. Ook daar boden ze onvoldoende ruimte.”

Sluiproute

Volgens de vakbonden wezen de ABU en NBBU aan tafel steeds op hun concurrentie: platformbedrijven als Uber en Deliveroo en schijnzelfstandigen hoeven zich aan geen enkele cao te houden. Dan zou het niet eerlijk zijn als alleen uitzendbedrijven zich moeten aanpassen. Maar, zegt Van der Lit van De Unie: uitzendbureaus „hebben ook een voorbeeldfunctie”.

De vraag is nu of de uitzendwerkgevers bereid zijn de vakbonden tegemoet te komen door alsnog meer vaart te maken. Maar er is voor hen een sluiproute beschikbaar: ze kunnen de grote vakbonden buitenspel zetten door een cao af te sluiten met de minivakbond LBV.

Lees ook deze reconstructie over het SER-akkoord: Hoe werkgevers akkoord gingen met minder flexwerk

Dit voorjaar hebben de ABU en NBBU die route al gebruikt om de drie grote vakbonden te passeren – ook toen kwamen zij er niet uit. Met LBV is toen afgesproken om de oude cao, die op 1 juni zou aflopen, met vier maanden ongewijzigd te verlengen.

Als de uitzendwerkgevers nu zelfs een compleet nieuwe cao durven af te spreken zonder de drie grote vakbonden, zegt CNV’er Jukema, zou dat funest zijn voor het imago van de uitzendbranche. „Als je op landelijk niveau een SER-akkoord afspreekt en de drie grote vakbonden de hand schudt, en je schuift dat bij de eerstvolgende cao-onderhandeling allemaal weer opzij… Volgens mij moet je dat niet willen.”