Mag je een werknemer verbieden een hoofddoek te dragen?

Levensovertuiging Werkgevers mogen personeel vragen hun levensovertuiging niet op de werkvloer uit te dragen, vindt het Europese Hof van Justitie. Onder voorwaarden, dat wel. „Ik zou mijn hoofddoek nooit afdoen.”

Foto Getty Images/bewerking NRC

Özlem Demirel keek vreemd op toen ze op haar tweede stagedag bij de directeur van de basisschool werd geroepen. De pabostudente (nu 21) uit Enschede had toch niets verkeerd gedaan? Volgens de directeur was het probleem niet wat ze deed, maar wat ze dróég. Ouders hadden geklaagd over haar hoofddoek en de directeur had hun gelijk gegeven. Het beleid van de school was: we doen niet aan religieuze uitingen. Demirel kon de hoofddoek afdoen of een andere stageplek zoeken.

Huilend ging ze naar huis. Weg stage, want haar hoofddoek hield ze op. „Ik was er zo verdrietig van dat ik werd afgerekend op mijn hoofddoek en niet op mijn kwaliteiten.”

Haar stagebegeleider van de pabo was „in shock”. Demirel: „Hogeschool Saxion stond pal achter me, dat deed me goed.” De directeur van de basisschool werd op gesprek gevraagd en krabbelde terug. Hij beloofde het beleid aan te passen, zodat Demirel het daaropvolgende jaar alsnog welkom was, mét hoofddoek. „Ik heb er nog over nagedacht, maar ik wilde het niet meer. Het voelde niet goed.”

Vorige week oordeelde het Europese Hof van Justitie dat werkgevers in de EU van hun personeel mogen vragen hun politieke, religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging niet op de werkvloer uit te dragen. Vrouwen die een hoofddoek dragen kan, onder voorwaarden, worden verzocht deze af te doen. Volgens het Hof is voorschrijven van „neutrale kleding” gerechtvaardigd wanneer die de behoefte van een werkgever vervult om een „neutraal imago” tegenover klanten uit te stralen. De werkgever moet dan kunnen aantonen dat het personeelslid met haar hoofddoek de ondernemersvrijheid in het geding brengt. Een ander argument om de hoofddoek op de werkplek te verbieden, is volgens het Hof „het voorkomen van sociale conflicten”.

Demirel is boos over de uitspraak van het Europese Hof. „Over twee jaar ben ik juf met hoofddoek in het openbaar onderwijs. Dat moet gewoon kunnen. We zijn toch allemaal gelijk?”

Allemaal gelijk

Jarenlang twijfelde de 25-jarige Lamyae (achternaam bij de redactie bekend) over het dragen van een hoofddoek. De Almeerse basisarts wilde het graag, maar was bang voor negatieve reacties van collega’s en leidinggevenden. Misschien zou ze benadeeld worden in de opleiding geneeskunde. Toen Lamyae haar toenmalige leidinggevende uiteindelijk vroeg of het goed was als ze met een hoofddoek op naar haar werk zou komen, reageerde die een beetje verontwaardigd. „Ze zei: ‘Wat krijgen we nou? Jij moet gewoon dragen wat jij wil! Of je nou in een minirokje komt of juist helemaal bedekt, het gaat toch om jou als persoon?’ Dat was zo fijn en hoopvol.”

Die steun ervaart Lamyae niet altijd. Een gesprek met een begeleider tijdens een van haar coschappen begon volgens haar met: „Toen je binnenkwam, dacht ik: ‘Ehm, oké, wat moet dit worden?’, maar je bent een leuke meid gebleken.” Lamyae vreest dat leidinggevenden die moeite hebben met de hoofddoek zich gesterkt voelen door het Europese Hof en zullen eisen dat ze hem afdoet.

Pascal Besselink, senior jurist arbeidsrecht en pensioenrecht bij juridisch dienstverlener DAS, denkt dat het zo’n vaart niet zal lopen. „Je kunt als werkgever niet zomaar zeggen: ‘We horen dat er klachten zijn’ en dus moet de hoofddoek af. Je zult moeten aantonen dat er een werkelijke behoefte is om neutraal over te komen. De werkgever moet dus bewijzen dat hij zonder neutraliteitsbeleid nadelige gevolgen ondervindt.”

Lees ook: Advies aan Hof van Justitie van EU: hoofddoekverbod winkelpersoneel toegestaan

Besselink geeft het voorbeeld van een kinderdagverblijf: er moet wel een groot aantal ouders opstappen vanwege een leidster met een hoofddoek, voordat je daadwerkelijk inkomsten misloopt. „De rechter zal overtuigd moeten zijn dat er onder andere een financieel belang is, een enkele klacht is niet genoeg. De lat ligt dus hoog.”

Met de uitspraak van het Europese Hof bestaat er niet opeens één lijn voor alle lidstaten, legt Besselink uit. „De uitspraak laat iedere lidstaat een eigen beoordelingsmarge. De conflicten die hierover kunnen ontstaan, zullen weer voor een Nederlandse rechter verschijnen, en dan zal telkens naar individuele gevallen gekeken worden.”

De rechter zal ook duidelijk kenbaar moeten maken dat het verbod moet gelden voor álle religieuze uitingen, zegt Besselink. Samengevat: als een hoofddoek niet op de werkvloer mag, dan ook geen christelijk kruisje.

Toch hadden de zaken waar het Europese Hof zijn oordeel over uitsprak, alle betrekking op de hoofddoek. Islamitische vrouwen uit Duitsland, Frankrijk en België stapten naar de rechter nadat hun werkgevers hadden geëist dat ze die zouden afleggen.

Kroeshaar

Mona Hegazy, docent Arabisch aan de Universiteit van Amsterdam, schrok toen ze hoorde van de uitspraak van het Europese Hof. De 41-jarige Amsterdamse wijst erop dat het uitstralen van „neutraliteit”, waar werkgevers zich op mogen beroepen, aan tijd en cultuur onderhevig is. „Vrouwen met kroeshaar hebben lange tijd te horen gekregen dat ze hun haar moesten straighten om er ‘neutraal’ uit te zien. Wanneer ben je ‘neutraal’? Als je een witte man of vrouw bent?”

Op de universiteit krijgt Hegazy nauwelijks negatieve reacties op haar hoofddoek, afgezien van de vele keren waarbij ze voor een student wordt aangezien. Maar bij een vorige baan, als verkoopster op Schiphol, liet haar werkgever weten dat collega’s hadden geklaagd. Die vonden haar kledingstijl „niet kunnen”. De werkgever had er geen problemen mee, maar wat als hij de kant van de collega’s had gekozen? „Ik zou mijn hoofddoek nooit afdoen. Niemand heeft het recht dat van mij te vragen.Desnoods zet ik er wel een gekke pruik overheen, alleen maar om te laten zien hoe belachelijk zo’n eis is.”

Ook basisarts Lamyae zou geen gehoor geven aan een verzoek haar hoofddoek af te doen: „Ik ga over een paar jaar mijn eigen huisartsenpraktijk beginnen. Dan kan niemand zeggen wat ik wel en niet kan dragen.”