‘Weet je hoe ze mensen zoals jij noemen? Die noemen ze kerels.’

Sarah’s zomer De komende weken schrijft Sarah Sluimer over haar zomer. Deze keer: bekvechten in de auto.

Sarah's zomer

De auto sukkelde over het smalle pad langs de dijk. De uiterwaarden trokken gestaag aan ons voorbij. De peuter zat een beetje te soezen op de achterbank. De zon stond laag en de radio speelde zacht. „Kijk die leuke koeien”, zei mijn vriend en wees naar buiten. Ik monsterde de dieren over de rand van mijn zonnebril. „Dat zijn rode lakenvelders”, zei ik. „Lakenvel”, hoorde ik zachtjes vanaf de achterbank. Even later zagen we een schaap in het weiland liggen. „Die lijkt wel dood”, zei mijn vriend. „Nee, die is niet dood”, zei ik. Hij gromde. „Hoe weet je dat?”, zei hij. „Ik heb regelmatig dode schapen gezien”, zei ik. „Toen ik nog op het platteland woonde. En dit is er niet een.” Op de radio begon een man te zingen. „‘Winterreise’, jongens. Schubert. Minder bekend deel.” Iedereen zweeg. Een vliegtuig kwam laag overvliegen. „Ah, hier ergens zal de aanvliegroute zijn”, zei ik. „Aantuigroute”, zei de peuter gedecideerd, maar de stilte naast me was nu bijna tastbaar. Een grote vogel zat op een paaltje in een weiland. „Even opletten allemaal, daar zit een slechtvalk”, zei ik.

Toen barstte de bom. „De áánvliegroute. Schubert”, riep mijn vriend. „Waar heb je het nou toch allemaal over?” Verschrikt keek ik hem aan. „Hoe bedoel je?”, vroeg ik.

Hij hapte naar adem. „Sarah Sluimer”, zei hij. „Je bent zo’n ongelooflijke kletsmajoor. Weet je hoe ze mensen zoals jij noemen? Nou? Die noemen ze kerels. Betweterige bluffers die hun mond maar een douw geven en zichzelf daarna trots een schouderklopje geven. Met je dode schaap. Jij hebt al een eeuwigheid geen dood schaap gezien. Je woont sinds je zeventiende in een stad.”

Mijn kinderen denken dat ik hun vader in mijn tijd als piraat in Normandië in een visnet heb gevangen

„Wacht eens even”, zei ik, direct fel. „Het lijkt wel alsof je dit gedrag vervelender vindt omdat ik een vrouw ben.” „Het is niet eens alleen een mannending, maar een váderding”, pruttelde hij door. „Váders roepen vaak maar wat en worden door hun kinderen toch als wonderen van kennis beschouwd.” Daar moest ik even op broeden. Als dat zo is, moeten moeders dan wijs zijn? En vooral ook: bescheiden in wat ze hun kinderen leren?

Ik voel daar helemaal niks voor, als ik eerlijk ben. Mijn kinderen denken dat ik hun vader in mijn tijd als piraat in Normandië in een visnet heb gevangen. Ze geloven dat ik kan vliegen, maar dat niet doe omdat ik er gewoon even geen zin in heb. Ze denken dat ik van iedere dinosaurus de naam ken.

„Maar het is toch niet erg als jij het baken van rust en betrouwbaarheid bent, liefje?”, vroeg ik mijn vriend. „Ja, maar daar heb ik toch ook helemaal geen zin in”, zei hij.

Toen stond hij op de rem. Een dikke eend stak over. „Slechtvalk”, zei de peuter. „Heel goed”, zeiden we in koor.