Noorse politie houdt rekening met nieuw geweld door rechts-extremisten

Radicalisering De Noorse politie houdt rekening met nieuw geweld door rechts-extremisten. Bij de herdenkingen zullen ze voor het eerst vuurwapens dragen.

Beoogd monument voor de slachtoffers van de rechts-extremistische terrorist Anders Breivik bij Utøya.
Beoogd monument voor de slachtoffers van de rechts-extremistische terrorist Anders Breivik bij Utøya. Beeld Statsbygg

Tien jaar na de slachting die rechts-extremist Anders Breivik aanrichtte in Oslo en Utøya houdt de Noorse politie rekening met herhaling. In haar jaarlijkse dreigingsanalyse staat dat de kans dat dit jaar een extreem-rechtse aanslag wordt gepleegd in Noorwegen, even groot is als de kans dat dit niet gebeurt.

In deze beladen week, waarin de aanslagen en de 77 slachtoffers worden herdacht, zijn de Noren tweemaal aan die dreiging herinnerd: het standbeeld voor een Noors-Ghanese tiener die in 2001 door neonazi’s is vermoord werd beklad met de woorden „Breivik had gelijk” en er zijn drie extreem-rechtse mannen opgepakt met tientallen vuurwapens in hun bezit.

Hoewel de dreiging dus niet is verdwenen, is wel de groep veranderd waaruit die voortkomt. „In de jaren negentig had Noorwegen een neonazistische scene die vooral bestond uit tieners en twintigers”, zegt antropoloog Sindre Bangstad in een videogesprek. Met hun kale koppen en hakenkruizen waren zij herkenbaar en vrij goed bereikbaar via het onderwijs. „Dat profiel is veranderd: radicaal-rechts extremisme komt nu voor in alle leeftijdsgroepen, maar vooral bij oudere mannen.” Ze ontmoeten elkaar vooral op websites en fora, „waar ze ideeën met elkaar uitwisselen en verder kunnen radicaliseren”.

Lees ook: Monument bij Utøya blijkt splijtzwam

Veel veranderd

Sommige rechts-extremisten voelen zich volgens Bangstad gesterkt in hun opvattingen omdat de rechts-populistische Vooruitgangspartij (FrP) tussen 2013 en 2020 meeregeerde – een partij waarvan ook Breivik ooit lid was (maar die zich van hem heeft gedistantieerd). De FrP dankt haar opkomst aan haar tegen moslims en immigratie gerichte standpunten. Politici van de partij beweren onder meer dat moslims Noorwegen willen overnemen.

Ook op het niveau van de veiligheidsdiensten is in twintig jaar veel veranderd. „Paradoxaal genoeg was er tussen de racistische moord in 2001 en de aanslagen van 2011 bij de veiligheidsdiensten weinig aandacht voor extreem-rechts”, zegt Bangstad. Dat zou mede komen doordat de hele westerse wereld en dus ook Noorwegen sinds ‘9/11’ vooral het islamitisch terrorisme als gevaar zag.

Radicaal-islamitische terreur werd ook na 2011 gezien als de grootste dreiging

Na Breiviks aanslagen had Bangstad een kentering verwacht, maar deze bleef lang uit. „Radicaal-islamitisch terrorisme werd in de jaarlijkse politieanalyses na 2011 steeds genoemd als grootste dreiging, terwijl vrijwel alle terreurdaden in Noorwegen door rechts-extremisten zijn gepleegd.” Pas in 2019 verschoof de aandacht, nadat Philip Manshaus zijn geadopteerde, uit Azië afkomstige zusje vermoordde en een bloedbad wilde aanrichten in een moskee. „Dat was een wake-upcall omdat Manshaus’ ideeën leken op die van Breivik én de politie vooraf was gewaarschuwd dat hij was geradicaliseerd maar niet had ingegrepen.”

Sindsdien besteden de diensten meer aandacht aan dreiging uit extreem-rechtse hoek. Volgens Bangstad hebben boeken van overlevenden van ‘Utøya’ hieraan bijgedragen. „Zij hebben veel invloed en houden het debat levend.”

Bij de herdenking van de aanslagen van 2011 deze donderdag dragen agenten dit jaar voor het eerst een vuurwapen. Daarin ziet Bangstad een signaal dat de dreiging van nieuw geweld nu in elk geval niet meer wordt onderschat.