Opinie

Universeel heil heeft al gauw iets griezeligs

Marjoleine de Vos

Je weet zoveel meer dan zij, als je leest over mensen in het verleden. Bijvoorbeeld als je leest over de jonge Nescio in de verrukkelijke biografie van Lieneke Frerichs – maar hij was toen in 1903 helemaal niet ‘Nescio’, hij was maar gewoon nog Frits Grönloh, een jongeman die een kantoorbaantje had omdat-ie nu eenmaal moest leven maar ’t beviel ’m niks: „’t Leven verdrukt en verlept me, je kunt niet 3 maal in de week een vent met een baardbinder met gelatenheid aan moeten zien, zonder achteruit te gaan.”

Een baardbinder – zou dat een soort van bandje om de baard geweest zijn, omdat die baard misschien zo lang was dat-ie door de inkt slierde bij het schrijven? Begin 20ste eeuw was de baardenmode vaak nog best lang. Maar wat een heerlijke zin! Hij staat aan het eind van een briefje dat Grönloh aan zijn liefje schreef en waarin hij droomt van hoe hij het wél wil; een stukje land met daarop een huis: „’t vrije huis van de vrije menschen [...] die iedere minuut genieten dat ze leven, omdat ze leven.”

Hij was wel idealistisch, de jonge Frits, anarchistisch, sympathiseerde wel met de ‘socialen’, verlangde naar een ‘nieuwe tijd’, maar hij was ook praktisch en deed zijn kantoorwerk omdat er nu eenmaal toch brood op de plank moest komen. Het was de tijd van Van Eedens kolonie Walden, van Gorters socialistische verzen, van de grote spoorwegstaking, van heel dat gevoel van een nieuwe dageraad. En er ís toen ook van alles bereikt, maar uiteindelijk is iedereen toch weer, om met Nescio te spreken, ‘stakkerig wijs’ geworden.

Dat wist die jonge man toen nog niet, die droomde van een beter leven, maar de lezer hoort aldoor in gedachten die berustende toon van de schrijver Nescio, die zijn jongere ik beziet met spijt en lichtelijke spot en toch blijft sympathiseren met dat verlangen naar ‘anders’, naar dat de wereld beter zou zijn, maar ja, je legt je vaak bij dingen neer.

Het verlangen naar een nieuwe en betere wereld is natuurlijk niet specifiek voor het begin van de 20ste eeuw; „het verlangen naar universeel heil is springlevend”, schreef Arnon Grunberg nog onlangs in De Groene en dat zal wel zo zijn. Al weet ik niet precies welk universeel heil er nu nagestreefd wordt en door wie, meestal gaat het meer over wat anders moet – het klimaat, de migratie, de discriminatie – dan over het positief nagestreefde.

Iedereen (nu ja, uiteraard niet iedereen) heeft ineens genoeg van het marktdenken en het neoliberalisme en het geloof in de heilzame werking van concurrentie en winst maken. Maar verlangt iedereen daarmee dan ook naar een ‘universeel heil’, een verlangen dat behalve iets sympathieks al gauw iets griezeligs heeft omdat het heil bijna altijd met harde hand opgelegd wordt?

Nescio’s verlangen is vaak, al verlangt hij zeker ook naar een rechtvaardiger wereld, zoveel kleiner en daarmee zoveel invoelbaarder. Gewoon een beetje je eigen gang gaan, beetje leven op een lapje grond; schrijven, vriendschappen hebben en samenwerken, wat gewassen verbouwen. Zoals zoveel mensen ‘gewoon’ willen leven. Voor zo’n leven is uiteraard sociale rechtvaardigheid nodig en enige solidariteit, maar geen hooggestemd gezang uit vele kelen. Maar vooral geen mooipraterij van de lui die het voor het zeggen hebben, van de God van Nederland, die nu in een Tesla door het land rijdt en al geld verdienend vroom prevelt over een ‘duurzame toekomst’, wat dat dan ook mag betekenen.

Gewone mensen, gewone verlangens. „Misschien hebben zij dingen gewild die niet van deze wereld zijn”, schreef Nescio. „Ik weet ’t niet.”

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.