Opinie

Met de ongelijkheid in Nederland is het slecht gesteld

Ongelijkheid

Commentaar

Wat voor land is Nederland? Een land dat hoog scoort op internationale lijstjes als het gaat om welvaart, levensverwachting, opleidingsniveau, sociale mobiliteit? Of een land waar bezit makkelijk uitgroeit tot meer bezit, een land van torenhoge vermogensongelijkheid, waar de kloof tussen vast en flexibel op de arbeidsmarkt groeit, waar huizenbezit iets voor de rijken is geworden?

In serie artikelen staat NRC deze weken stil bij ongelijkheid in Nederland. Die verspreidt zich in toenemende mate over alle geledingen in de samenleving: werk, inkomen, vermogen, wonen, onderwijs, gezondheid. Het doet er in Nederland in toenemende mate toe waar je geboren wordt, wie je ouders zijn en wat hun maatschappelijke positie is.

Ongelijkheid is er in twee varianten: je hebt ‘goede’ ongelijkheid, die mensen stimuleert om hun talenten in te zetten om een stapje hogerop te komen, die ambitie beloont op sociaal dan wel economisch terrein. Die ongelijkheid kan mensen helpen om van het spreekwoordelijke dubbeltje een kwartje te worden.

Daarnaast is er de ‘foute’ ongelijkheid. Dat is de ongelijkheid die buiten iemands persoonlijke schuld om optreedt en waaraan het nagenoeg onmogelijk is jezelf te ontworstelen. Een ongelijkheid waarbij het principe van sociale mobiliteit niet meer werkt. Waar de mensen aan de goede kant van de streep zich niet meer bekommeren om die aan de verkeerde kant ervan.

Op het gebied van ongelijkheid is veel relatief. Wie de kansen van een laagopgeleide in Nederland vergelijkt met die van een laagopgeleide in Senegal, is snel uitgepraat. Tegelijkertijd is ongelijkheid binnen een land of regio natuurlijk wel wat bepaalt hoe iemand naar zijn of haar eigen leven kijkt: is er ruimte voor zelfontplooiing, voor groei, voor ruimte en vrijheid? Nederland is de afgelopen decennia veranderd in een land waar de foute ongelijkheid, ondanks goede bedoelingen, is toegenomen.

Oorzaken van deze groeiende ongelijkheid liggen in de keuze om van Nederland een verzorgingsstaat te maken die wantrouwen als basis heeft. Een die al decennialang geleid wordt door partijen die – ter bescherming van de eigen achterban – blind waren voor foute ongelijkheid en de verantwoordelijkheid voor het leven steeds minder bij de staat en steeds meer bij het individu hebben gelegd. Een land met een steeds grotere groep ‘geslaagden’ , die denkt geen belang meer te hebben om de regels aan te passen ten gunste van zij die vastlopen. Sociale mobiliteit is zo steeds meer een zero sum game geworden: de stijging van de één is de daling van de ander.

Lokaal proberen sommige gemeenten de scherpste randjes van de ongelijkheid af te halen. Met programma’s om de kansen van de achtergestelden in het onderwijs te vergroten, met beleid om ‘draaideurwerklozen’ uit hun uitzichtloze situatie te halen. Waardevol en noodzakelijk, maar zolang de landelijke regels de ongelijkheid in stand houden en zelfs vergroten is het dweilen met de kraan open.

Het kan en moet dus anders. Daarvoor zijn twee zaken van belang. Allereerst: een erkenning van de politiek dat het met de ongelijkheid in Nederland slecht gesteld is. Hoe moeilijk het wellicht ook is om voorbij de eigen maatschappelijke positie en de landelijke gemiddeldes te kijken. Een kabinet is er niet alleen voor de succesvolle Nederlanders. Ten tweede: een grondige hervorming van de drie grootste ongelijkheidsveroorzakers: op gebied van arbeid, van onderwijs en van vermogen. Goede ideeën zijn er meer dan genoeg, lokaal, nationaal en internationaal.

Dat vergt politieke moed, omdat het electoraal nog steeds het veiligst is de kant van de winnaars te kiezen. Dat is een kwestie van tijd. Het handhaven van deze status quo verergert het probleem, waardoor op een gegeven moment de sociale en maatschappelijke onrust onbeheersbaar zal worden. Zie sinds begin deze eeuw de steun voor partijen als Lijst Pim Fortuyn, de PVV van Wilders of het Forum van Baudet. Ongelijkheid is een sluipend gif dat uiteindelijk maatschappijontwrichtend werkt.