Bos zo ver het oog reikt op de Utrechtse Heuvelrug

Kán dat? Het echte bosgevoel ondergaan in Nederland? Dat is de vraag die Herman Vuijsje deze zomer onderzoekt. Aflevering 3: Utrechtse Heuvelrug

Illustratie Jet Peters

‘Voor fietsers gesloten, voetgangers welkom” – zo mag ik ’t horen. Pijnenburg, het eerste in een reeks landgoederen op de Utrechtse Heuvelrug, windt er geen doekjes om. Ik zie zo’n in pisgeel gestoken mountainbikemaniak die toch aan de verkeerde kant is beland, waar een ingenieuze kooiconstructie hem de uitweg onmogelijk maakt. Hij worstelt ermee als een vlieg in het web.

Een ingenieus stelsel van hekken, roosters, tourniquets en sluizen houdt in het Nederlandse bos alle soorten binnen of buiten: de voetgangers, de fietsers en de zwijnen. En de wolf, die het samenstel van versperringen nog weer verfijnder en gecompliceerder maakt.

Hekken in overvloed. Eerst die van de nouveaux riches in het Gooi, hoog en ondoordringbaar. De adel hier op de Utrechtse landgoederen heeft er meer werk van gemaakt, noblesse oblige, met fraai koper- en ijzersmeedwerk. Bij Lage Vuursche het hek aller hekken, het bijna onzichtbare hek rond Drakensteyn. En later, op de Veluwe, minder afschrikwekkende en meer ingetogen hekken, in een lichte boog, bekroond door bescheiden puntjes.

Ik maak een omweg om Groeneveld te zien. Kasteel Groeneveld, bestemming van de verste wandeling die we met het gezin op zondag maakten. Het was het uiterste puntje vanwaar we met de bus van de NBM, de Nederlandsche Buurtvervoer Maatschappij, terug konden naar huis. Groeneveld was een vreemde, ‘verwegge’ plek. Van een afstand staarden we naar het mysterieuze landhuis aan de bosrand. De geheimzinnigheid werd nog vergroot door wat zich afspeelde achter de muren van het schilderachtig verwaarloosde gebouw. Het had iets te maken met een geheime clan van kunstenaars – Jan Vrijman, Karel Appel, Remco Campert en Simon Vinkenoog –, die daar bloot schenen rond te springen in de vervallen salons tussen het afbladderend handbeschilderd behang.

Groeneveld was leuk omdat het een beetje groots en meeslepend was. Een mespuntje avontuur op een Hollandse zondagmiddag. Een ‘attractie’ die het ommetje verteerbaar maakte. Op latere leeftijd kwamen daar andere attracties bij: een landschap werd pas echt de moeite waard als er een aantrekkelijk vrouwspersoon in rondliep. En nu is dóórlopen een attractie op zichzelf geworden.

Maar natuurlijk laat ik niet de gelegenheid voorbijgaan om de attractie aller kinderattracties aan te doen, de Pyramide van Austerlitz. Eind negentiende eeuw begon ook dit instituut als ‘hersteltuin voor kinderen’. Dit jaar bestaat het 125 jaar als ‘speeltuin en lunapark’. Ze houden die y in stand (net als ik op de Veluwe nog heel wat koppige tussen-n-loze pannekoekenhuizen zal passeren). Maar de winderige Pyramide is wegens corona gesloten.

Gelukkig is de uitzichttoren in de Kaapse Bossen bij Doorn wel open, geen corona daar. Uitkijkend knijp ik me in de arm. Ongelofelijk, is dit Nederland? Bos ‘zo ver het oog reikt’, letterlijk. En ik ben nog niet eens op de Veluwe!

Huis Doorn is ook dicht. Jammer, keizer Wilhelm II, die hier na de Eerste Wereldoorlog een toevlucht vond, maakte er een origineel aspect van de Wald-idylle aanschouwelijk. In zijn boek Masse und Macht omschreef de Joodse schrijver Elias Canetti het leger van nazi-Duitsland als „het marcherende woud”: „het rigide en parallelle van de rechtopstaande bomen, hun dichtheid en getal”. De schors als uniform. In Doorn vond de Kaiser zijn bestemming in het omleggen, nummeren en opstapelen van stammen... een voortzetting van de oorlog met andere middelen?