Opinie

De obsessie met de identiteit van de maker is problematisch

Identiteit Alleen wie tot een bepaalde groep hoort, zou over of voor die groep mogen schrijven. Die obsessie met identiteit is problematisch, meent .
Foto Gary John Norman

Talenten van kleur moeten meer kansen krijgen om jeugdliteratuur te schrijven, zodat jeugdboeken diverser en inclusiever worden. Het is een geldend maar vreemd paradigma in de kunstwereld: alleen wie tot een bepaalde groep behoort, mag over of voor die groep schrijven. Mogen ook witte schrijvers meer diverse jeugdboeken schrijven?

Jeugdboekenschrijver Ted van Lieshout beschrijft (NRC, 13/7) dat het gerucht gaat dat bij het toekennen van de prijzen voor de beste kinderboeken stereotypering of representatie nadelig hebben uitgepakt voor bepaalde titels. „Je kunt het gevoel krijgen dat de cultuurpolitie achter je aan zit.” Het probleem voor de voornamelijk witte kinderboekenmakers is groot: ze willen maken wat hun innerlijke drijfveer ze ingeeft en tegelijkertijd zo inclusief en divers mogelijk zijn.

Wanrepresentatie

Een ander probleem, volgens Van Lieshout, is dat elke poging tot ‘diverser schrijven’ bij voorbaat kansloos lijkt: „Het best schrijf je over dingen die je ként, over situaties waarin je zelf bent opgegroeid, en voor de meeste witte kinderboekenmakers is dat een witte omgeving.”

Witte schrijvers lopen volgens Van Lieshout het risico te worden beschuldigd van culturele toe-eigening en wanrepresentatie. Zonde, want meer diverse jeugdboeken en -verhalen zijn beslist geen luxe. Welke impact op het zelfvertrouwen heeft het immers als een kind zich niet herkent in rolmodellen of verhalen? „De oplossing ligt voor de hand: er moeten meer kinderboekenmakers van kleur komen”, aldus Van Lieshout. Want alleen schrijvers van kleur kunnen kinderboeken schrijven die divers genoeg zijn?

Lees ook: Waarom zijn er zo weinig kinderboekenmakers van kleur?

Van Lieshout herinnert ons aan de „discussies over wie een tekst van een schrijver van kleur mag vertalen of wie de rol van trans persoon mag spelen in een bioscoopfilm.” Was Marieke Lucas Rijneveld wel de aangewezen persoon voor de vertaling van de poëzie van Amanda Gorman? Hen is immers wit. De fixatie op de identiteit van een kunstenaar is trouwens relatief nieuw. Bij Nederlands meest vertaalde schrijfster, Anne Frank, klonk deze discussie bijvoorbeeld niet.

Wie de voordracht van Gorman reduceert tot een gedicht van een meisje van kleur, sluit veel lezers uit

De obsessie met de identiteit van de maker is tamelijk problematisch. Kunst probeert het universele tot uitdrukking te brengen aan de hand van het particuliere. Amanda Gorman, bijvoorbeeld, beschrijft dat ze als afstammeling van slaven er nu van droomt om president te worden, dat ze trots is dat ze nu al een president mag toespreken. Haar particuliere ervaring, dit gedicht en deze voordracht, kan symbool staan voor de verbeterde positie van iedereen die het spel begon met een 1-0 achterstand.

Wie het gedicht en de voordracht van Gorman reduceert tot een gedicht van een meisje van kleur, sluit lezers uit om zich in de tekst te herkennen. Op een bepaalde manier kan iedereen zich een beetje Amanda voelen, tenzij we haar verhaal beperken tot symbool, in plaats van wat het kan symboliseren.

De slechterik

Het paradigma in de literaire wereld doet soms denken aan wat er gebeurde met de eerste toneelbezoeken. Wie zo’n vijfhonderd jaar geleden de slechterik speelde, werd na afloop van de voorstelling in elkaar geslagen. Het nog onervaren publiek zag het verschil niet tussen een rol en de acteur. Hetzelfde lijkt te gebeuren met kunstenaars en kunst: maker en diens werk worden aan elkaar gelijkgesteld. De identiteit van de kunstenaar bepaalt welke kunst hij mag maken.

Alleen schrijvers van kleur mogen verhalen maken met daarin kinderen van kleur. Daarmee ontsla je een kunstenaar van de plicht tot verbeelding en zijn we als lezers veroordeeld tot alleen nog maar autobiografische romans. Wie wil er straks nog lezen, na eindeloze variaties op het pover geschreven Ik ga leven van Lale Gül? Bovenal is het racistisch: we beoordelen het gemaakte op basis van de identiteit van de maker, terwijl die er niet voor kiest om wit, homo, van kleur, transgender of linkshandig te zijn.

Zoals Arnon Grunberg bekent Joods te zijn – maar echt alleen als ernaar gevraagd wordt – zouden we iets meer afstand moeten nemen van de identiteit van makers. In Grunbergs woorden: „Identiteit is ook het etiket dat een ander op je plakt en dat je in gunstige gevallen weer kan verwijderen.”