Elk kind onderwijs op maat? Dat schrikt nieuwe collega’s af

Onderwijsbeleid Problemen in het onderwijs zijn al decennia bekend. Soms lukt het ze aan te pakken, zoals met de ‘leerkracht-plus’. Maar hoe is er meer te bereiken? „Haal de bezem door het ministerie.”

Schooldirecteuren zijn volgens een onderzoek van OESO „wereldkampioen” vergaderen en administratie en besteden relatief weinig tijd aan de lesstof en lesmethodes.
Schooldirecteuren zijn volgens een onderzoek van OESO „wereldkampioen” vergaderen en administratie en besteden relatief weinig tijd aan de lesstof en lesmethodes. Foto Dieuwertje Bravenboer

Parkschool Presikhaaf is een echte wijkschool: bijna alle 230 leerlingen van de basisschool wonen in Presikhaaf Oost, een achterstandsbuurt in Arnhem. Leerlingen ervaren hier meer dan gemiddeld „problemen in de leef- en woonomgeving”, vertelt directeur Petra Herbrink. Omdat ze opgroeien in armoede of soms nauwelijks Nederlands spreken als ze hier binnenkomen. Er zijn leerlingen met trauma’s, omdat ze een ouder moeten missen door geweldsdelicten.

De school doet er alles aan elk kind onderwijs op maat te geven. Dat vraagt veel van leerkrachten – en het schrikt potentiële nieuwe collega’s af. Die werken over het algemeen liever op een school met minder zorgleerlingen, zegt Herbrink.

De zogeheten werkdrukgelden waren een uitkomst. Het geld, een geoormerkt bedrag van gemiddeld 60.000 euro per jaar om de werkdruk te verlagen, bracht rust. Het team besloot er iemand van aan te nemen die een paar dagen per week „los rondloopt” om het werk van de leerkrachten te verlichten. ‘Leerkracht-plus’ Paul de Brouwer neemt geregeld een klas over, zodat de vaste leerkracht tijd heeft om lessen voor de volgende dag voor te bereiden. Of hij gaat met een klein groepje leerlingen heel gericht aan de slag.

De Brouwer stond óók aan de wieg van PO in Actie, de actiegroep die er met massale stakingen voor zorgde dat de werkdrukgelden in het regeerakkoord van Rutte-III belandden. Dit geld, 430 miljoen euro per jaar, is uniek in het onderwijssysteem, omdat het rechtstreeks naar de basisscholen gaat. En ze mogen zélf kiezen waar ze het aan besteden. Meestal wordt niet duidelijk wat er met extra geld gebeurt en of het überhaupt in de klassen belandt. Jan van de Ven, die aan de onderhandelingstafel zat, noemt het akkoord „een witte raaf tussen alle mislukte plannen en ambities voor het onderwijs”.

Wie het over oplossingen voor de problemen in het onderwijs heeft, komt al snel bij fouten in ‘het systeem’ terecht. Want: zijn er door achtereenvolgende kabinetten niet al vele honderden miljoenen extra in onderwijs geïnvesteerd? Verschijnen er niet al decennia rapporten over het lerarentekort? Waarom stijgt de kwaliteit dan niet en blijven leraren zich beklagen over te grote klassen en een te hoge werkdruk? Kortom: wat gaat hier mis?

Tussenlagen

„We hebben het onderwijs nodeloos ingewikkeld gemaakt”, zegt Jan van de Ven, die na PO in Actie de beroepsgroep Het Lerarencollectief oprichtte. „Met heel veel tussenlagen die ver van het klaslokaal afstaan en geen idee hebben waar ze over praten. Iedereen is een beetje verantwoordelijk voor alles, en daardoor is niemand echt verantwoordelijk.”

Om te weten hoe dat heeft kunnen gebeuren, moeten we terug naar 1993. Toen spraken schoolbesturen met het Rijk af dat ze meer bestuurlijke en financiële vrijheid kregen. De ‘lumpsumfinanciering’ werd ingevoerd: het Rijk verdeelt het geld over de besturen, die het vervolgens naar de scholen storten. Hoe, dat mogen de besturen zelf weten: het ligt niet vast waaraan het geld moet worden besteed.

Het gevolg: schaalvergroting. Schoolbesturen gingen met elkaar concurreren om leerlingen. Ze kwamen verder van de overheid af te staan, omdat ze meer vrijheid kregen in hun beleid, maar ook verder van ouders en leraren. Die kregen steeds minder zeggenschap over wat er in de school gebeurt. Soms komt het voor dat geld bij de besturen blijft ‘plakken’.

Lees ook: Zijn scholen te rijk, of juist te arm?

Intussen ontstond een arsenaal aan lobbyorganisaties die namens besturen, scholen, leraren, leerlingen en ouders zeggen te spreken. Het zijn de ‘tussenlagen’ waar Van de Ven het over heeft. Zij maken de afspraken met de overheid over het onderwijs. Zoals: basisscholieren moeten meer gymmen. Of: alle leraren moeten verplicht hun nascholing registreren. De afspraken zijn vaak niet bindend. Maar ze komen wél op de schouders van leraren terecht. „Het zijn nepafspraken met nepvertegenwoordigers”, concluderen onderwijsdeskundigen René Kneyber en Dorien Zevenbergen in hun boek De sluipende crisis: waarom het onderwijs niet beter wordt, dat in 2018 verscheen.

Het onderwijs is bijna georganiseerd als een markt, zegt Merel van Vroonhoven, die in 2019 haar baan als bestuursvoorzitter van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) verruilde voor de lerarenopleiding. „Ik kom uit een competitieve markt, maar het lijkt soms alsof de concurrentie in het onderwijs groter is dan in de financiële sector.” Zij ziet: er gebeurt ontzettend veel in het onderwijs, maar er is weinig samenhang en weinig samenwerking. Bovendien worden leraren onvoldoende betrokken bij het maken van plannen. „Hoe is het mogelijk dat er zo veel wordt bedacht door besturen en opleidingen zonder met leraren te spreken? Zo worden de professionals tot uitvoerders gemaakt.”

Kleine stappen

Wat is de oplossing? Het geld weer direct naar de scholen storten, zoals D66-Kamerlid Paul van Meenen wil? „Ik denk wel dat een kern van het probleem is dat de zeggenschap te ver van de scholen af ligt”, zegt Van de Ven, „maar ik zie ook een sector waarin het water tot ver boven de lippen staat. Die kunnen zo’n grote taak er nu echt niet bij hebben.” Bovendien, nuanceert hij, is er een groot verschil in kwaliteit tussen besturen. „Het is niet zo dat alle bestuurders slecht zijn en alle leraren goed.”

Met kleine stappen, van onderaf, kun je het systeem veranderen, zegt Jaap Versfelt. Hij was partner bij adviesbureau McKinsey toen hij in 2012 besloot zijn baan op te zeggen uit „frustratie over het onderwijs”. Zijn drie zonen mopperden al jaren over school. Maar toen zijn vrouw, zij-instromer, met dezelfde verhalen thuiskwam wist hij: hier speelt een „systeemfout”. Waarbij het op alle niveaus misgaat omdat er veel wordt gepraat, maar weinig van elkaar wordt geleerd. Schooldirecteuren komen amper in klassen om te zien hoe hun leraren het doen. Ze zijn volgens OESO-onderzoek, „wereldkampioen” vergaderen en administratie en besteden relatief weinig tijd aan de lesstof en lesmethodes. Terwijl beter onderwijs juist daar begint: in de klassen, met beter onderwijs op basis van wetenschappelijke inzichten. Zoals verbeteringen bij andere bedrijven ook op de werkvloer beginnen.

Daar is een cultuurverandering voor nodig, zegt Versfelt. Hij startte stichting Leerkracht met als uitgangspunt dat docenten van elkaar kunnen leren. Scholen die het programma volgen, inmiddels ongeveer duizend, stellen wekelijks ‘leerdoelen’, bezoeken elkaars lessen, delen ervaringen uit en geven tips. Dat lijkt te helpen: leraren die meedoen zijn enthousiast, werken beter samen en dat leidt, blijkt uit de eerste resultaten van een lopend onderzoek door de Universiteit Utrecht, tot leraren die „significant sterker” voor de klas staan.

Versfelt is dus optimistisch. Maar wil je het probleem bij de wortel aanpakken, zegt hij, dan moet je bij het ministerie zijn. „Daar moeten ze nu zeggen: we hebben een probleem. De kwaliteit daalt en de ongelijkheid stijgt. We hebben de diagnose gesteld en we gaan het oplossen.” Niet door aan „symptoombestrijding” te doen door later te gaan selecteren voor de middelbare school, zoals de Onderwijsraad onlangs voorstelde. „Wél door te investeren in de kwaliteit van de leraar en die van schoolleiders. Zorg dat zij van elkaar leren, dat ze steeds beter worden.”

Ook Van de Ven wijst naar het ministerie. Een goede eerste stap zou zijn als de overheid de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs weer op zich zou nemen, denkt hij. „In de Grondwet staat dat de overheid voor goed onderwijs moet zorgen, níét de sectorraden.” Het zou volgens hem ook helpen als er een sterke onderwijsminister zou komen met verstand van zaken, „die de bezem door het ministerie durft te halen”. „Vakkennis is er minder toe gaan doen op ministeries, dat zie je ook in de zorg. Dan krijg je mensen die een paar jaar op de winkel passen. Ze hebben goede managementskills, maar hebben inhoudelijk geen benul van wat goed onderwijs is.”

Lees ook deze analyse over ongelijkheid, in het onderwijs, op het werk en de woningmarkt: Nederland snakt naar saamhorigheid, maar hoe dan?

Intussen roeien scholen met de riemen die ze hebben. De ‘extra leerkracht’ van Parkschool Presikhaaf, Paul de Brouwer, moest dit schooljaar noodgedwongen als vaste kracht voor groep acht aan de slag: de school werd ingehaald door het lerarentekort. Na de zomervakantie begint hij gelukkig weer als ‘vliegende keep’. Mooi hoor, vindt hij, omdat het zo zichtbaar hélpt. „Het geeft ons allemaal lucht.”

Dat merkt Juf Irene ook. Zij zit in een leeg lokaal, van een gebouw waarin elke vierkante meter wordt benut – in een van de lange gangen krijgt Azra uit groep zes bijles van tutor Wim, verderop tussen de kapstokken buigen twee leerlingen uit groep vijf zich over hun sommen en de stagiairs overleggen in het washok. Haar groep 5 heeft zwemles – omdat veel kinderen op deze school niet kunnen zwemmen, organiseert de school dat.

Tot voor kort ging de vaste leerkracht mee naar het zwembad. Maar sinds de werkdrukgelden beschikbaar zijn neemt iemand anders die taak over en heeft Irene een paar uur per week tijd voor zaken die ze anders na schooltijd moest doen. Zoals de stapel rapporten die nu voor haar neus ligt. „Dat scheelt enorm.”