Opinie

Peter R. de Vries werd zijn eigen merk – maar zijn aanpak bleef journalistiek

De ombudsman

Het was geen aanslag op ‘de persvrijheid’, de moordaanslag op Peter R. de Vries, maar een op de rechtsstaat, meldde een bord op de Dam dat ook NRC toonde.

Inderdaad, een afschuwelijke liquidatie, naar het zich laat aanzien volgens nietsontziende maffia-methodes: de broer van een kroongetuige vermoorden, de advocaat en diens opvolger.

Alleen, motief en effect vallen hier niet samen. Deze liquidatie raakt veel meer: de hele rechtsorde, de strijd tegen de ontwrichtende narco-maffia, maar óók de journalistiek. Zoals de terreurmoord op de redactie van Charlie Hebdo – een directe aanval op de persvrijheid – ook een veel breder politiek en maatschappelijk effect had.

NRC-columnist Folkert Jensma sprak van een „aanslag op de rechtsstaat”. Maar een die tegelijk trof „het recht op een eerlijk proces, op representatie in de media en behartiging van alle andere belangen die De Vries diende”. Dat was ook de lijn van het Commentaar, dat vaststelde dat de aanslag de rechtsstaat raakt én de vrijheid van advocaten, officieren van justitie, rechters en journalisten. Wat werd bevestigd door bedreigingen aan het adres van het programma RTL Boulevard waarin De Vries een vaste gast was.

In allerlei varianten kwam intussen ook de vraag langs of De Vries nu een journalist was of vooral heel veel anders. Een portret inventariseerde na de aanslag zijn rollen: tv-persoonlijkheid, opiniemaker, programmamaker, aspirant-politicus, zaakwaarnemer, vertrouwenspersoon.

Die vraag is nu bijzaak, maar wel een die iets zegt over wat er van een journalist wordt verwacht. Met zijn rol als adviseur voor een kroongetuige zou De Vries de distantie hebben verloren die nodig is voor journalistiek.

Dat kan zijn, en toch is het ook weer niet zo overzichtelijk. Tal van journalisten zijn anno 2021 tegelijk tv-persoonlijkheden, commentatoren en een eigen ‘merk’– zij het lang niet zo sterk als de unieke De Vries. Het idee dat journalisten belangeloze waarnemers moeten zijn, vrij van subjectieve voorkeuren of betrokkenheid, is ook van betrekkelijk recente datum – ruwweg zo’n anderhalve eeuw oud – en deels ook alweer voorbij of geamendeerd.

Ooit was gepolitiseerde, partijdige journalistiek in Europa en de VS eerder regel dan uitzondering; kranten waren vehikels van polemiek en pamflettisme in de koffiehuizen van de Verlichting, waar verhitte debatten over politieke revoluties eerder de toon zetten dan koele analyse.

Pas later in de negentiende eeuw – met verstedelijking, alfabetisering en technologische innovaties als de telegraaf en betere druktechnieken – wordt in Amerika ‘objectieve journalistiek’ het ideaal, compleet met redactionele organisatie en professionele arbeidsdeling. Mede onder invloed van sciëntisme (een rotsvast geloof in wetenschappelijke feiten en sociale engineering) én de wens van eigenaren en adverteerders om een zo breed mogelijk publiek te bereiken. Daar hoort bij dat journalisten just the facts geven (de titel van een boek van David Mindich waar ik dit op baseer). In Europa bleven kranten veel langer partijorganen, een inbedding die pas na de Tweede Wereldoorlog werd verlaten.

Trouwens, ook de eerste ‘moderne’ Angelsaksische journalisten waren soms meer dan koele waarnemers. Ook de ‘ontdekkingsreiziger’ Stanley die in Afrika op zoek ging naar Livingstone, was een journalist, met karabijn en al op reportage gestuurd door de New York Herald. Later ging hij aan de slag als zaakwaarnemer van de Belgische koning Leopold, die een genocidaal schrikbewind vestigde in Congo. Kortom, zo belangeloos was de journalistieke waarneming ook niet altijd.

Pas vanaf de jaren vijftig wordt dat ideaal de norm. Met het duo Woodward en Bernstein, en hun Watergate-scoops, wordt in de jaren zeventig het symbolische hoogtepunt bereikt van de gedreven maar onpartijdige journalist als nieuwe culturele held.

Dat professionele ideaal is onverminderd krachtig – en gelukkig maar, zolang het in dienst staat van de publieke zaak, zoals de onthullingen in het Toeslagenschandaal. Maar het ideaal is wel geamendeerd, nu kritiek op ‘de media’ gemeengoed is geworden. Iedere journalist kan inmiddels meepraten over framing, onbewuste vertekening en alles wat – het is een cliché geworden – een objectieve view from nowhere onmogelijk maakt.

Tegelijk hebben #MeToo, Black Lives Matter en het klimaatactivisme bijgedragen aan een hernieuwde roep om „morele helderheid” in de journalistiek. Zoals de geëngageerde zwarte journalist Ida B. Wells (geboren in slavernij) eind negentiende eeuw al in haar eentje meer deed om lynchings in de VS aan te klagen dan de gevestigde (witte) media bij elkaar.

Alleen, sociaal engagement betekent nog niet dat ‘objectiviteit’ bij het grofvuil zou moeten worden gezet, naast de buizenradio of WordPerfect. Je kunt objectiviteit afdoen als hopeloos smachten naar een goddelijke blik, maar het is eerder een ambachtelijke methode: eerst feiten onderzoeken, dan pas conclusies trekken. Die is juist geboren uit het besef dat ook journalisten spreken vanuit een eigen positie en achtergrond.

Nog iets. Janet Malcolm merkte fameus op dat elke journalist wel eens beseft dat hij ergens een bedrieger is, omdat het verhaal altijd zwaarder weegt dan de mensen wier vertrouwen hij wint om het te kunnen vertellen.

Zou het? Peter R. de Vries koesterde warme banden met tal van nabestaanden in zaken, ook jaren later nog. Dus ja, natuurlijk gaat het om het verhaal, maar toch zijn roem, prijzen of kijkcijfers uiteindelijk bijvangst in journalistiek die de publieke zaak wil dienen.

Morele helderheid en engagement, dat bood De Vries – met de harde feiten voorop.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.