Analyse

Nederland snakt naar saamhorigheid, maar hoe dan?

Essay | Oplossingen De pandemie legde maatschappelijke tegenstellingen bloot: ongelijkheid in onderwijs, op de woningmarkt, in het werk. Dat roept de vraag op: in welk land willen wij leven? Welke oplossingen zijn er voor die ongelijkheden?

Illustratie Midas van Son

Bestaat er zoiets als ‘goede’ en ‘foute’ ongelijkheid? Is sommige ongelijkheid acceptabel, bijvoorbeeld in opleiding, sociale mobiliteit of financieel vermogen, als die voortvloeit uit prestatie of inspiratie? Of juist door tegenovergesteld gedrag, zoals luiheid? Als dat ‘goede’ ongelijkheid is, dan is er ook ‘foute’ ongelijkheid. Bijvoorbeeld door omstandigheden buiten je schuld, zoals armoede thuis.

Drie onderzoekers probeerden enkele jaren geleden voor tientallen Europese landen vast te stellen hoe groot hun foute ongelijkheid is. Hun uitgangspunt was: ongelijkheid op zich is niet verkeerd. In een markteconomie als de onze ligt het voor de hand dat prestaties beloond worden. Die prikkel wil je niet wegnemen. Tegelijkertijd wil je ook niet dat grote groepen mensen, tegen hun wil, onder het bestaansminimum terechtkomen.

Daarom concentreerden ze zich op twee criteria: zijn er gelijke kansen op de arbeidsmarkt, en is er sprake van vrijwaring van armoede. In hun ranglijst van 31 landen bungelt Nederland onderaan. Nergens is de ‘foute’ ongelijkheid zo klein als in Nederland.

Hun onderzoek is uit 2018, maar hun gegevens kwamen uit 2010.

Resultaten uit het verleden zijn geen garantie voor de toekomst.

Sinds 2010 is Nederland immers wel veranderd. Er was een economische crisis. Een prijsval van 20 procent op de huizenmarkt. De verschraling van de verzorgingsstaat, omdat kabinet na kabinet bezuinigde. Economisch herstel. Verdere groei van flexibele arbeidscontracten. Maar ook steeds driftiger stijgende huizenprijzen. Dalende schoolprestaties van leerlingen. Een pandemie die de schijnwerper zette op een reeks maatschappelijke tegenstellingen.

Formatiebesprekingen

Ongelijkheid in sociale zekerheid, sociale mobiliteit, vermogen, onderwijs en wonen stond de afgelopen weken centraal in een serie in NRC. Het ging over ongelijke kansen én ongelijke uitkomsten.

Je kunt zeggen: het kapitalisme levert niet. Maar dat is niet helemaal eerlijk tegenover het kapitalisme. Het kapitalisme beloont succes, maar maalt niet om ongelijkheid. De overheid en uiteindelijk de burgers beslissen over gelijke kansen en uitkomsten. Daarmee vloeit het thema ongelijkheid over in een veel bredere vraag, namelijk: in wat voor land willen wij als burgers leven? Hoeveel ongelijkheid wil Nederland accepteren? Als de ongelijkheid onacceptabele vormen aanneemt, wat is daar tegen te doen?

Die vragen moeten ook in de formatiebesprekingen op tafel liggen. Sterker: de plannen die daar ter tafel komen, bepálen welk land wij zijn. Daarom kun je ook andersom redeneren, niet vanuit een regeerakkoord vol plannen voor alle mogelijke onderwerpen, maar vanuit één thema: ongelijkheid. Want ongelijkheid ontneemt mensen de kans tot volle wasdom te komen. Ongelijkheid verspilt talent. En dat schaadt de kracht van Nederland.

Ruim een jaar geleden vierde denktank SCP, het Sociaal en Cultureel Planbureau, het 12,5-jarig jubileum van zijn kwartaalenquête Burgerperspectieven met een speciaal onderzoek. In Burgerperspectieven peilt het SCP de opinies en de stemming in Nederland. Nu legde het SCP vier toekomstscenario’s voor over Nederland. De ondervraagden konden kiezen. Individuele welvaart en economische groei of liever collectief welzijn? Moet Nederland zelf alle aandacht krijgen of moet internationale oriëntatie centraal staan?

De ondervraagden gaven het scenario met individuele welvaart vooral een economische vertaling. Mensen „beamen wel dat een sterke economie belangrijk is”, concludeerde het SCP, „maar het is geen ideaal waar de harten sneller van gaan kloppen.”

Uit het onderzoek kwam juist „een heel brede en sterke voorkeur voor een samenleving met gemeenschapszin, saamhorigheid en omzien naar elkaar. Dat is een ideaal dat bijna iedereen heeft.”

Bezorgdheid

Misschien verrassend: ondernemers zien dat in hoge mate ook zo. Werkgeversvereniging VNO-NCW deed in 2019/2020 een breed onderzoek onder haar leden met als doel: een nieuwe koers. De werkgevers zagen de spanningen in de samenleving groeien en de kloof met bedrijven en politiek toenemen. „De rode draad was bezorgdheid”, zei Hans de Jong, tot voor kort directeur van Philips Nederland, onlangs tegen Het Financieele Dagblad.

Hij leidde het onderzoek dat in 2019 begon als ‘kloofproject’ en in 2020 eindigde als ‘brugproject’. Wat bleek? Ook ondernemers zien de overheid als eerstverantwoordelijke voor saamhorigheid, baanzekerheid en inkomenszekerheid. En tegelijk ziet meer dan de helft van hen voor deze thema’s ook grote medeverantwoordelijkheid voor zichzelf, blijkt uit het verslag van het brugproject.

De opvattingen van burgers, ondernemers én politici schuiven naar elkaar toe. Dat zag je al in de partijprogramma’s voor de Tweede Kamerverkiezingen van 17 maart. In toenemende mate zien politieke partijen voordelen in een sterkere overheid. De samenleving ervaart meer onzekerheid dan ze wil accepteren.

Toch is de ‘maakbare samenleving’, waarin ieders welzijn en geluk gepland wordt, geen wenkend perspectief. Sterker: Nederland houdt daar niet zo van. Zoals een van de deelnemers aan een recent SCP-onderzoek zei over de overheid: ‘Wel sturing, maar geen bemoeienis.’

Tegenover de sociale verzorgingsstaat bestaat ook een wat ambivalente houding. Ja, een vangnet moet er zijn, maar individuele verantwoordelijkheid mag geen loze kreet zijn.

Nederland houdt niet zo van een ‘maakbare samenleving’

De overheid kan niet alle ongelijkheid uitbannen. Een deel ervan ontstaat door concentratie van kennis en vaardigheden waar de overheid weinig tegen kan doen. Als hoogopgeleiden met elkaar trouwen, en dat is al jaren een duidelijke trend, is de kans aanzienlijk dat zij hun sociale én financiële kapitaal doorgeven aan hun kinderen. Meer kapitaal, meer kansen.

Onderkant optillen

Wat kan de overheid wél doen? De omstandigheden aanpassen die tot ongelijke uitkomsten leiden. Dat lukt niet in een maand, niet in een jaar, misschien duurt het wel tien jaar. Met die horizon zijn wisselende politieke coalities niet vertrouwd. Dat is de eerste kanttekening. De tweede is: er is geen pasklare oplossing. Het kost tijd, creativiteit, doorzettingsvermogen en geld.

Mogelijkheden zijn er genoeg. Het zet meer zoden aan de dijk achterblijvers te helpen om vooruit te komen dan koplopers af te remmen. Geef de strijd tegen ‘foute’ ongelijkheid prioriteit.

Hoe kan dat vorm krijgen? Verhoging van het minimumloon tilt de onderkant van de inkomensschaal op. Je kunt in samenhang daarmee een simpele norm invoeren: de beloning van de bestbetaalde medewerker (meestal de directeur), inclusief winstdeling en betaling in aandelen, is maximaal twintig keer de beloning van de gemiddelde medewerker. Het beursgenoteerde financiële handelshuis Flow Traders heeft die norm ingevoerd.

Extra belasting voor de hoogste inkomens? Hoe hoger het inkomen, hoe profijtelijker fiscale adviezen. Vermijd een ‘wapenwedloop’ tussen fiscale constructies en de Belastingdienst.

Vermogensongelijkheid is geen wetmatigheid. Een gelijkmatiger verdeling kan door bezitsvorming van werknemers aan te moedigen, bijvoorbeeld via personeelsaandelen. Voor mensen met vaste én flexibele contracten.

Tweede optie: de OESO, een economische denktank waarbij 38, meest welvarende, landen zijn aangesloten opperde onlangs een hogere heffing op erfenissen. Politiek is dat controversieel. Mensen hechten er waarde aan ‘iets’ na te laten en zien erfbelasting als extra heffing op vermogen waar zij eerder al belasting over hebben betaald. Maar juist in de categorie familiebedrijven is de erfbelasting relatief laag.

Geef mensen de keus. Wie de helft van zijn vermogen weggeeft aan een goededoelenorganisatie, valt met de rest in een voordeliger tarief.

De jeugd is de toekomst, maar het onderwijs steunt en kreunt. Taalachterstanden en migratieachtergronden van leerlingen hebben het onderwijs complexer en de verschillen groter gemaakt.

Wie meer en betere leraren voor de klas wil hebben, hoeft niet ver te kijken. Opleiding, begeleiding en aandacht voor jonge leraren. Dat kost geld, ja. Meer loon, ja.

Werkgevers zien vooral het tekort aan technisch geschoold personeel als probleem en wijzen op het risico dat jongeren worden opgeleid voor banen die straks verdwijnen. Leraren moeten minder opvoeder (willen) worden, meer onderwijzer.

Op de arbeidsmarkt zijn de tegenstellingen groter dan ooit. Sommige bedrijfstakken ontberen al jaren een gelijkwaardige verhouding tussen werkgevers en werknemers door de zwakke positie van vakbonden. Het gaat om de aard van het werk en de arbeidsomstandigheden. Je kunt arbeidsmigratie strenger reguleren en de race naar de bodem van de arbeidsmarkt afremmen. Je kunt voor werk dat er wél is, maar dat bedrijven niet aanbieden, basisbanen invoeren: werk voor de gemeenschap, op kosten van de gemeenschap.

De woningmarkt kent huurders en kopers. De koopmarkt is oververhit. Hoe kun je die laten afkoelen? De Nederlandsche Bank bepleit schrappen van de fiscale verschillen tussen kopen en huren.

Wat opvalt in het lopende debat over de woningmarkt (‘meer bouwen’) is dat het vrijwel exclusief de kóópmarkt betreft. Het gaat nauwelijks over de huurmarkt, en over de rol daarin van gemeenten en woningcorporaties. Terwijl burgers bij woningen aan koop én huur denken. Het gaat om „de problemen die mensen met een laag inkomen en starters hebben, door de hoge huurprijs, gebrek aan sociale huurwoningen en de hoge huizenprijzen”, blijkt uit de SCP-peiling van eind juni.

Een mensenleven

Je kunt ook anders naar ongelijkheid kijken. Niet naar specifieke thema’s, zoals wonen en onderwijs, maar naar drie fases in een mensenleven. Leren, werken, sterven. In leren passen opvoeding en onderwijs, en leren bewegen om de strijd tegen overgewicht en gezondheidsverschillen eerder te beginnen.

Werk gaat over arbeidsmarkt en inkomen. Geef het idee van GroenLinks een kans om iedereen op z‘n 18de een startkapitaal te geven – voor bedrijf, huis of verdere opleiding.

Na de laatste levensfase kan de erfbelasting de verhoudingen gelijkmatiger maken. Een vergrijzende samenleving zoals de Nederlandse hoeft niet per se ongelijker te worden omdat vermogens steeds ongelijker zijn verdeeld en generaties die voorsprong doorgeven. Japan is vergrijsder dan Nederland, maar de vermogensverhoudingen zijn er dankzij hogere (erf)belastingen veel minder scheef.

Dat laat zien dat evenwichtiger vermogensverhoudingen tot op zekere hoogte ‘maakbaar’ zijn. Overerving van welvaart en vermogen is nog geen ‘foute’ ongelijkheid. Een volledig gelijke start voor elke nieuwe generatie is een illusie. Maar de kansenongelijkheid is nu doorgeschoten. Meer evenwicht en minder ‘foute’ ongelijkheid zijn de bouwstenen voor de gewenste samenleving met gemeenschapszin en saamhorigheid.