Opinie

Interview met Het Virus (10)

Frits Abrahams

‘Daar ben ik weer!”, schetterde een mannenstem in mijn telefoon. Hij liet een stilte vallen waarin ik geacht werd te reageren, maar ik hield liever mijn adem in. „Hallo, je was me toch nog niet vergeten?”, riep hij.

„Wat kan ik voor je doen?”, vroeg ik geprikkeld. Ik wist welke kant dit gesprek onvermijdelijk op moest gaan, en ik had er geen zin in.

„Tsjonge, wat zijn we gereserveerd”, zei Het Virus. „Ik herinner me nog goed hoe interessant je het vond dat je met mij mocht praten. Als enige columnist!”

„Ik heb het druk”, zei ik, terwijl ik me oprichtte van de badrand waar ik net mijn teennagels zat te knippen.

„Ach, zeker net zo druk als jullie kabinet dat van de ene blunder naar de andere hobbelt? En dat terwijl ik de vorige keer nog zó gewaarschuwd heb! Weet je nog? Dat laatste stukkie van je waarin je voorgoed afscheid van mij dacht te nemen? Ik riep nog tegen je: ‘Maak me niet kwaad, want dan kan ik hele rare dingen doen.’ Maar jij was, net als Hugo de Jonge, zó blij met je twee prikjes dat je dacht dat het allemaal voorbij was.”

Niets is zo vervelend als praten met mensen die gelijk hebben gekregen en dat gelijk triomfantelijk opeisen. Niet dat ik iets anders had verwacht van Het Virus, want hij is nu al zo lang onder de mensen dat niets menselijks hem vreemd is.

„Weet je wat ik nou zo grappig vind?”, riep hij. „Dat jullie mensen elkaar voortdurend de schuld geven als iets fout is gegaan. En hoe! Wilders maakt school! Die vrouw, hoe heet ze, van BIJ1 die Rutte 30.000 coronadoden in de schoenen schuift en dan woedend wordt als hij woedend wordt. Ik kan niet goed tegen al die mensen die achteraf precies weten hoe ze mij hadden moeten bestrijden. Dat is een onderschatting van mijn kwaliteiten als virus – ook door jou.”

Ik liet hem maar begaan in het besef dat dit zijn finest hour moest zijn – eindelijk kon hij volop oogsten wat hij aan frustraties en angsten gezaaid had.

„Van meet af aan heb ik jullie in deze interviews gewaarschuwd dat ik onvoorspelbaar in mijn meedogenloosheid ben, dat ik steeds nieuwe varianten zal bedenken waardoor jullie nooit meer helemaal van mij zullen afkomen. Wen toch eindelijk aan dat vooruitzicht! Trek er lering uit en maak er het beste van! Leef wat voorzichtiger, dáár gaat niemand dood van. Jullie maken er meteen een burgeroorlog tussen generaties van, maar zolang niet iedereen gevaccineerd is, kunnen jullie allemaal best wat inbinden. De oudjes blijven nog wat meer binnen en de jongeren hoeven elkaar niet élke nacht in de disco te besmetten. Ga rustig door met thuiswerken, want er wordt al genoeg geluld op kantoor, en hou je ook nog aan die anderhalve meter afstand, tenzij je je per se wilt voortplanten omdat je voldoende vertrouwen hebt in de klimaatplannen van Frans Timmermans.”

Toen hij eindelijk uitgeraasd leek, opperde ik voorzichtig: „Als wij je aanbevelingen overnemen, zouden we met je leren leven zonder al te veel last van je te hebben.”

„Precies”, zei hij. „En weet je waarom ik dat toejuich? Ik kan jullie wel allemaal opruimen, maar wat schiet ik ermee op om alleen over te blijven? Dat moet de ultieme eenzaamheid zijn.”

Voor het eerst klonk hij een tikkeltje sentimenteel. Misschien ligt daar onze kans.