Famke Mölenberg op het Zuidplein in Rotterdam: „Op straat word je voortdurend aan eten herinnerd.”

Andreas Terlaak

Interview

Woon je in een vinex-wijk? Dan leef je acht jaar langer

Famke Mölenberg | onderzoeker gezond gedrag In Rotterdam zijn grote gezondheidsverschillen tussen buurten. Is dat te veranderen? Meer sport, minder fastfood?

In het Turkse restaurant Beymen op het Rotterdamse Zuidplein is het druk op maandagochtend. De vrouwen – en één man – hebben bij het buffet hun bord gevuld en zitten aan volle tafels. Famke Mölenberg schuift aan met een bladerdeegrol met spinazie en feta, eiersalade, brood, cake, wat fruit, een sapje en een kop thee. Zonder suiker.

Mölenberg is 25 juni gepromoveerd op omgevingsinterventies om de volksgezondheid te verbeteren, manieren om de stad gezonder te maken voor Rotterdammers. Welbeschouwd zitten we in haar laboratorium: haar onderzoeksvragen liggen op straat. Hoe kun je de omgeving zo inrichten dat die uitnodigt tot gezonder gedrag, hoe stimuleer je bewegen en gezonder eten? Het Zuidplein laat zien waar steden mee worstelen. De Taco Mundo, Waw Burgers en Vietnamees MeMe zijn maar een voorproefje van het overdekte winkelcentrum aan de overkant waar de churros, patat, stroopwafels, shakes en döners je om de oren vliegen. Het eerste sport- en speelveldje is minstens een kilometer verderop.

De verschillen tussen buurten zijn op alle fronten groot, zegt Mölenberg: „Als je hier in de metro stapt en in de nieuwe wijk Nesselande uitstapt, kan dat zo acht jaar extra levensverwachting opleveren. Het verschil in gezonde levensjaren tussen buurten kan wel tot vijftien jaar oplopen. In de ene buurt heeft één op de tien bewoners obesitas, in een buurt met veel armoede en financiële stress misschien wel één op de vier.”

In een fastfoodparadijs, een wijk vol ongezond eten, maakt één snackbar waarschijnlijk geen verschil

Je kunt zeggen: dat komt door het gedrag van individuen. Mensen die roken, weinig sporten en te veel eten lopen een hoger risico om hart- en vaatziekten of diabetes type 2 te ontwikkelen. „De aanname is vaak dat je zelf kiest wat je eet. Maar zo simpel is het niet. Marketing is niet voor niets zo succesvol. In de supermarkt en op straat word je voortdurend aan eten herinnerd en mensen zijn enorm gevoelig voor aanbiedingen. Je moet moeite doen om iets níét te kiezen. En in buurten met het grootste aanbod is de weerbaarheid tegen fastfood misschien wel het laagst.”

Speelplekken en snackbars

Waar artsen en diëtisten naar individuen kijken, gaat Mölenberg als gezondheidswetenschapper uit van de omgeving. „Als de helft van de bevolking overgewicht heeft, kun je het moeilijk een individueel probleem noemen. Het gedrag van mensen hangt samen met hun omgeving. Hoe leefbaar is een buurt, zijn er genoeg speelplekken, zit er om de hoek van de school een snackbar?”

Dat de stad overspoeld wordt door donutwinkels en hamburgerketens, ziet iedereen. Maar dat de opmars zo sterk en scheef verdeeld is, viel de politiek in Rotterdam pas goed op toen Mölenberg dat in kaart bracht. „Ik zag het als een klein onderdeel om mijn onderzoek te onderbouwen, maar voor de gemeente was het best een schok: tussen 2004 en 2020 is het aantal fastfoodlocaties met ongeveer de helft toegenomen, terwijl de bevolking maar een paar procent is gegroeid. Het aantal groentezaken en andere verswinkels daalde bijna 40 procent. En het indrukwekkendst zijn ook hier weer de verschillen: in wijken met een lagere sociaal-economische status groeit fastfood sneller, in welvarende wijken neemt het nauwelijks toe.”

Mölenberg onderzocht of die veranderingen te relateren zijn aan het gewicht van bewoners in die wijken. „Alleen bij kinderen van laagopgeleide moeders zagen we een klein effect, maar een duidelijke toename van overgewicht vonden we niet.” Zo erg is het dus niet, kun je denken. Maar de werkelijkheid is cynischer. „In een fastfoodparadijs, een wijk vol ongezond eten, maakt één snackbar waarschijnlijk geen verschil.”

In beweging krijgen

Tegen de snackinvasie staat de stad tamelijk machteloos. Wel probeert de gemeente Rotterdammers in beweging te krijgen. Mölenberg onderzocht het effect van een aantal omgevingsinterventies, zoals de komst van een Cruyff Court of Krajicek Playground: gaan kinderen vaker buiten spelen als er zo’n speelplek binnen 600 meter van hun huis komt? „We hebben die speelveldjes, die over de tijd zijn aangelegd in wijken waar kinderen minder sporten, gelinkt aan de data uit de Generation R-studie, een bevolkingsonderzoek waarmee het Erasmus MC de ontwikkeling van ruim tienduizend Rotterdamse kinderen volgt.”

Ook hier geen eenduidige conclusies, maar wel een aantal interessante bevindingen. Vooral kinderen uit minder welstandige gezinnen gingen vaker buiten spelen als er een speelveldje in de buurt kwam: de interventie kwam dus ten goede aan de kinderen die ze het meest nodig hadden. Maar opvallend: kinderen die meer buiten speelden, gingen óók meer gamen en tv-kijken. „Misschien werd het buitenspelen beloond met gamen. Of werd de lichamelijke inspanning gecompenseerd. Er zijn allerlei factoren die je moeilijk in beeld krijgt.”

De groei van overgewicht en fastfood gaan al dertig jaar gelijk op

De kritiek op natuurlijke experimenten ligt voor de hand. Ze voldoen niet aan de gouden standaard van gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek, waarbij interventie- en controlegroep willekeurig zijn geselecteerd en alle factoren die de uitkomst kunnen beïnvloeden zijn uitgesloten. Hard bewijs dat fietspaden, topsportevenementen of speelveldjes mensen gezonder maken, levert dit soort onderzoek zelden op, anders dan wanneer de werking van een medicijn wordt getest.

Langs de deuren gaan

Bovendien neemt in het algemeen de respons op enquêtes af, en daarmee de representativiteit. „Je moet goed in de gaten houden of bepaalde groepen niet de overhand krijgen. En we zullen steeds actiever op zoek moeten naar de groepen die afhaken: langs de deuren gaan, vragenlijsten vertalen, zodat er genoeg jongeren en lagere inkomensgroepen blijven meedoen.”

Mölenberg schrijft in haar proefschrift dat het onderzoeken van plotselinge veranderingen waar je als onderzoeker geen invloed op hebt toch zinvol én bruikbaar is. „De verstorende factoren zijn bij natuurlijke experimenten een gegeven. De onderzoeker moet ze zo goed mogelijk identificeren en ervoor zorgen dat de interventiegroep en de controlegroep goed te vergelijken zijn. Maar áls je bij een natuurlijk experiment iets vindt, dan weet je dat het in het echte leven werkt. Voor individuen is de impact wellicht klein, maar voor de bevolking kan ingrijpen in de omgeving aanzienlijke winst opleveren.”

Mölenberg werkte tijdens haar onderzoek één dag per week bij de afdeling Onderzoek van de gemeente Rotterdam. „Dat hield me scherp. Ik kon vragen sneller oppikken en kennis en data van de gemeente en de universiteit bij elkaar brengen. En het leukste is: op het moment dat je resultaten hebt, komen ze meteen bij mensen die er iets mee kunnen. Ze verdwijnen niet in grote publicatiemolen.” Waarmee Mölenberg niet zegt dat je zonder bewijs niets kunt doen. „De groei van overgewicht en fastfood gaan al dertig jaar gelijk op. Als je voor elke interventie wacht op het beste bewijs, kun je dat nooit aanpakken.”