Recensie

Recensie Boeken

Na de bevrijding verdween het antisemitisme niet

Jodenvervolging Na terugkeer uit de nazi-kampen werden Joden in Nederland allesbehalve hartelijk onthaald. ‘Een gebrek aan menselijke maat’ wortelt diep in de Nederlandse samenleving.

In juni 1945 wachten overlevenden uit concentratiekamp Buchenwald in Arnhem op verdere repatriëring.
In juni 1945 wachten overlevenden uit concentratiekamp Buchenwald in Arnhem op verdere repatriëring. Foto uit besproken boek

U wordt door niemand verwacht van Michal Citroen staat vol passages die je twee of drie keer moet lezen voordat je ze gelooft. Een paar voorbeelden. Toen de laatste Joden op 8 juni 1945, na de bevrijding dus, uit Westerbork vertrokken, kregen ze een brief waarin werd opgesomd wat ze allemaal niet mochten meenemen: gereedschappen, gummilaarzen, klompen, dekens… boeken. Boeken, hoe verzin je het? Vervolgens werden Duitse Joden die voor de oorlog naar Nederland waren gevlucht, geïnterneerd in Westerbork. Ook zij keerden terug uit de kampen in het oosten. Ze werden behandeld zoals alle Duitsers in Nederland: als inwonenden van een vijandelijke natie. Net als SS’ers en NSB’ers die óók in Westerbork waren ondergebracht, moesten ze dwangarbeid verrichten. Sommigen brachten snel hun Jodenster weer aan, ‘om tenminste niet als landverrader te worden gebrandmerkt’.

Het Parool (de verzetskrant!) schreef in juli 1945 ‘dat men verwonderd was dat de heer E. Polak zijn functie van gedeputeerde van Noord-Holland had hervat. De heer Polak had immers, zo herinnerde Het Parool de lezer fijntjes eraan “tijdens den Duitschen inval zijn post verlaten, zonder dat daar dringende redenen voor waren”.’

De grootvader van Michal Citroen zat tijdens de oorlog ook in Westerbork. In mei 1943 kreeg hij een keuze: omdat hij getrouwd was met een niet-Joodse vrouw kon hij zich vrijwillig laten steriliseren óf meteen naar Auschwitz vertrekken. Hij kreeg een halfuur bedenktijd en koos voor sterilisatie, maar kwam toch in Auschwitz terecht. Hartog Citroen overleefde een ‘dodenmars’ aan het einde van de oorlog en na een reis via Odessa en Marseille keerde hij terug in Nederland. In Frankrijk werd hij met andere kampslachtoffers groots onthaald. Er liepen meisjes met wijn en kersen door de trein. Een groot contrast met Nederland, vertelde hij zijn kleindochter: ‘Twee dagen later, eenmaal in Tilburg, dachten we: eindelijk terug in Nederland en nu zullen we ontvangen worden, hè. We deden de deuren van de gammele trein open en op het perron stonden enige kerels die schreeuwden: „In de trein blijven! Niet uitstappen! In de trein blijven.” En dat was de ontvangst in ons eigen land.’

Zo gaat het maar door, ruim 400 pagina’s lang. Is de geschiedenis van Nederlandse Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog op zich al reden genoeg voor nationale schaamte – in geen ander West-Europees land werden verhoudingsgewijs zo veel landgenoten afgevoerd naar de gaskamers als in Nederland – hun ervaringen ná de oorlog maken het er niet beter op. Ruim twintig jaar geleden schreef Citroen er een boek over. Sindsdien verschenen er veel onderzoeken en rapporten over het onderwerp, reden genoeg voor deze geactualiseerde en uitgebreide heruitgave.

Lees ook: De vrouwen rondom Hitler

Door de bevrijding was niet meteen iedere vorm van antisemitisme verdwenen. Maar er was ook een minder verwerpelijke reden om geen speciale aandacht te geven aan Joodse oorlogsslachtoffers: de autoriteiten wilden geen onderscheid maken tussen Joden en niet-Joden, dat was immers wat de nazi’s hadden gedaan.

Begraven in kartonnen dozen

In 1946 vroeg de Joodse gemeenschap aan het Amsterdamse gemeentebestuur of er een monument mocht worden geplaatst op het Jonas Daniël Meijerplein, schrijft Citroen. ‘Na drie jaar kwam het antwoord: het voorstel paste niet in het bestemmingsplan.’ Ook als het ging om herdenken gold: ‘geen onderscheid meer’. Wat ook meespeelde na de oorlog: Nederland lag in puin. Daardoor was het voor veel mensen moeilijk om oog te hebben voor het leed van anderen. In Amsterdam werden kinderen die waren gestorven door honger of ziekte begraven in kartonnen dozen.

Als teruggekeerde Joden – veelal dakloos en berooid – iets van hulp kregen dan kwam dat van Joodse organisaties die na de bevrijding weer werden opgebouwd. Dat paste in de geest van verzuiling die nog altijd heerste. Sommigen bleven in Nederland en hielden vast aan hun Joodse identiteit, maar er waren er ook heel wat die het veiliger achtten te assimileren of te emigreren.

Veel Nederlandse Joden waren trouwens voor de oorlog al verregaand geassimileerd. De grootvader van Citroen meed in ieder geval elke vorm van religiositeit zo lang ze hem kende. ‘Alleen aan het nummer op zijn arm kon je zien dat hij Joods was.’

Citroen stelt grote vragen. Waarom werden er juist in Nederland zo veel Joden afgevoerd naar de kampen? Waarom was de opvang van Joden zo gebrekkig?

Na het proces tegen Adolf Eichmann in 1961 ontstond er wel aandacht voor hun lijden. Die werd nog versterkt door de publicatie van Ondergang van Jacques Presser, enkele jaren later. Maar een echte doorbraak kwam pas na de discussie over de Drie van Breda, in 1972. Er werd een wet ingevoerd: de Wet uitkering vervolgingsslachtoffers (Wuv).

Veel Nederlandse Joden waren vóór de oorlog al verregaand geassimileerd

En toen ging het opnieuw mis. Dat iemand door ziekte of gebreken niet kon werken, was niet voldoende reden om in aanmerking te komen voor een uitkering. Er moest sprake zijn van een causaal verband met vervolging tijdens de oorlog. Daarbij gold een omgekeerde bewijslast: het causale verband werd verondersteld, tenzij het tegendeel kon worden bewezen. Maar de overheid was streng. Keuringen waren erop gericht te zoeken naar andere oorzaken. ‘Anders zou de situatie kunnen ontstaan, zoals de voorzitter van de Uitkeringsraad, A.J. van der Leeuw, ooit zei, dat “je mensen hebt die de omgekeerde bewijslast zo ver willen uitleggen dat ze vinden dat, als een vervolgde verkouden is, de uitkeringsraad de zakdoeken moet betalen”, of: “dat iemand die onder de tram komt een vergoeding wil van de Wuv omdat hij nooit onder de tram zou zijn gekomen als zijn reflexen niet te lijden hadden onder de gevolgen van een verblijf in een kamp”.’

Toeslagenaffaire

Dat was dus in de jaren zeventig. Daarna zouden nog tal van onderzoeken volgen. Of het nu ging over de praktische opvang na de oorlog, de teruggave van banktegoeden, erfenissen van wezen, of over roofkunst. De conclusie was steeds: de overheid schoot tekort. Vorig jaar nog oordeelde de commissie-Kohnstamm over de teruggave van geroofde kunstwerken: ‘De Restitutiecommissie opereert te formalistisch en formuleert gebrekkig en onvoldoende empathisch met verzoekers.’

Citroen citeert eindeloos uit de vele gesprekken die ze had met overlevenden, van wie de meesten inmiddels overleden zijn. Maar dat is tegelijk ook de kracht van dit boek: al die getuigenissen zijn toch maar mooi vastgelegd voor het nageslacht.

Op het einde is de vraag: is er nu veel veranderd? Citroen zoekt de verklaring voor de falende opvang niet alleen in een woekerend antisemitisme of een Wederopbouw die alle aandacht opeiste. Ze kijkt ook naar eigenschappen die diep geworteld lijken in de Nederlandse samenleving. Dan vallen woorden als ‘formalisme en bureaucratie’, ‘een gebrek aan menselijke maat’ en ‘onvermogen tot improviseren’. Een ambtenaar die in 1945 een belastingaanslag verstuurde en verlangde dat iemand zou bewijzen dat hij écht niks had verdiend in Auschwitz – je leest het en denkt: hoe is het mogelijk? Dan gaan je gedachten onvermijdelijk naar actuele voorbeelden van bureaucratisch handelen: de slachtoffers van de Toeslagenaffaire, de vluchtelingenkinderen op Lesbos, de bijstandsmoeder die 7040 euro moet terugbetalen omdat ze boodschappen kreeg. Gevaarlijke vergelijkingen, maar Michal Citroen trekt ze, zorgvuldig en overtuigend. Het doet je vrezen dat haar boek over een twintig jaar nog steeds relevant is. Alleen daarom al is het goed dat het opnieuw is uitgegeven.