Recensie

Recensie Boeken

Hoe de saamhorigheid uit Nederland verdween

Historische structuren In de Lage Landen waren burgers al vroeg betrokken bij het bestuur. In een fris en toegankelijk boek laten drie historici zien hoe de poldermentaliteit ontstond.

‘De zielenvisserij’ (1614), allegorisch schilderij door Adriaen van de Venne, met links de Republiek en rechts de Zuidelijke Nederlanden.
‘De zielenvisserij’ (1614), allegorisch schilderij door Adriaen van de Venne, met links de Republiek en rechts de Zuidelijke Nederlanden.

Bijna onuitroeibaar is het beeld van Nederland als land waarin ‘breede rivieren traag door oneindig laagland gaan’ – ondanks een nationale geschiedenis die geworteld is in ruzie, opstand, verovering en burgeroorlog. De werkelijkheid van dat oer-Hollandse landschap was (en is) dat er op de oevers voortdurend schermutselingen plaatsvinden. De verrassend compacte geschiedenis van de Lage Landen door de Vlaamse historicus Marnix Beyen en zijn Nederlandse collega’s Judith Pollmann en Henk te Velde brengt heldere orde aan in die vechtgeschiedenis van de Nederlandse en Belgische staatsvorming.

De Lage Landen is een toegankelijk boek geworden over grote structuren in de geschiedenis. Een knappe prestatie. Zoals – vreemd genoeg – alleen terloops op de achterflap wordt vermeld, is het een echte politieke geschiedenis. Wie denkt te beginnen aan een algemene vaderlandse geschiedenis vol cultuur, economie en gekke verhalen, komt bedrogen uit. Maar de lezer wordt wel beloond met een verrassend frisse historie van hoe in de Lage Landen macht wordt uitgeoefend.

Het beeld dat de historici schetsen, lijkt op het klassieke moderniseringsverhaal waarin een uiterst lokaal georganiseerde samenleving al tegenstribbelend een centraal bestuur krijgt. Maar vernieuwend is het centrale thema dat in die lokale stedelijke gemeenschappen een intense betrokkenheid bestond bij het reilen en zeilen van het bestuur en centralisering leidde juist tot minder betrokkenheid. Precies dat thema verklaart de ondertitel: ‘Een geschiedenis voor vandaag’.

Want nu is het probleem niet een of andere ‘kloof’ tussen burgers en politiek, zoals je wel vaak hoort. Vanuit een ontwikkeling van vijf eeuwen bezien gaat het om het losraken van (actief) burgerschap en (centrale) politiek. Eén lesje uit de vaderlandse geschiedenis is dan dat wie afgeeft op de elite ‘die maar wat doet zonder te luisteren’ een heilige historische plicht heeft om ook zelf bestuurlijk de handen uit de mouwen te steken. Want zelfbestuur of in ieder geval ruime participatie, dat was nog de toestand in de zestiende en zeventiende eeuw. ‘Een verrassend groot deel van de mannelijke stedelijke bevolking was al sinds de middeleeuwen vertrouwd met aspecten van de lokale politieke cultuur en enige vorm van bestuurlijke verantwoordelijkheid. Alle mannen van enig gewicht hadden bijvoorbeeld wel eens een petitie ingediend of “een rekening afgehoord”, dat wil zeggen dat ze een financieel verslag van hun organisatie hadden horen voorlezen.’ Die organisaties waren niet alleen het stadsbestuur maar ook en vooral gilden, schutterijen en andere lokale verenigingen, die tot in de negentiende eeuw de saamhorigheid zouden vormgeven.

Praatgroepen

Die oude gemeenschappen waren exclusief: het was volkomen duidelijk wie erbij hoorde en wie niet. De oude middeleeuwse gemeenschappen legden strenge grenzen aan: voordelen waren er alleen voor eigen mensen. Dat exclusieve gevoel van actief burgerschap werd in de centraliserende nationale staat van de negentiende eeuw nog ‘gerepareerd’ door intensivering van levensbeschouwelijke gemeenschappen – de zuilen. Die zuilen vervielen in de jaren zestig en de nieuwe systemen van praatgroepen, actievoeren en inspraakavonden van de jaren daarna, bleken niet te beklijven. Dus wat nu?

Het oude volksritueel van het in de boom hangen van een dood varken, als protest tegen een asielzoekerscentrum, zoals in het Brabantse Heesch gebeurde in 2016, is antropologisch interessant, maar geen heraut van structurele oplossingen. Het is wel een teken dat zonder nieuwe vormen van gemeenschapsvorming oude exclusieve tradities kunnen opleven.

De oude saamhorigheid betekende niet dat er geen conflicten en ruzies waren. Integendeel – die oude steden kolkten soms over van de politieke en sociale tegenstellingen. Maar zoals Beyen, Pollmann en Te Velde schrijven: zelfs bij rebellie en opstanden werden strakke regels gehanteerd. ‘Bij huisplunderingen vielen bijvoorbeeld zelden dodelijke slachtoffers.’ Dáár, in die wilde steden, en niet alleen in de brave waterschappen, ontstond de vaderlandse ‘poldermentaliteit’.

Het boek staat vol interessante observaties. Het geschiedverhaal begint al met een mooie beschrijving van de zestiende-eeuwse weerstand tegen kettervervolging hier te lande. De landsheren Karel en later Filips, tevens koningen van Spanje, eisten doodstraffen, maar de lokale elites wilden dat niet: moesten vrome mensen die wel eens een boek van Luther lazen meteen dood? Moesten de buitenlandse kooplieden met een verkeerd geloof meteen het land uit? Praktische zin, economisch voordeel en medemenselijkheid gaan hand in hand. Zoals bekend loopt dat conflict totaal uit hand in de Opstand en de Tachtigjarige Oorlog, waarbij De Lage Landen mooi de toevallige maar cruciale wendingen uitlicht.

En wat je ook niet vaak hoort: de noordelijke republiek kon blijven vechten dankzij de goede financiële politiek van de steden. Stadsbesturen leenden van oudsher van hun eigen burgers, en nóóit staakten die besturen de terugbetalingen, zoals koningen geregeld wél deden. Door die betrouwbaarheid betaalden steden en dus ook de Republiek een lagere rente dan andere staten. Mede daardoor had de Republiek ruime financiële armslag in de strijd.

Geen gevoelsgemeenschap

In het noorden bestond sinds de Opstand in de zestiende eeuw een traditie van samenwerking op ‘nationaal niveau’, de oorlog dwong daartoe. Het was nog lang geen ‘gevoelsgemeenschap’, maar wel een belangengemeenschap die vaak van onderop georganiseerd werd. In het door Habsburgers geregeerde zuiden was dat ‘nationale gevoel’ veel zwakker. ‘Vanuit eenzelfde traditie van lokaal zelfbestuur zou zo in Nederland en België een andere politieke traditie groeien: bestuurlijk en middelpuntzoekend in het Noorden, oppositioneel en middelpuntvliedend in het Zuiden’, schrijven de historici.

Voor Nederlanders is het boek een aangename en razendsnelle inleiding in Belgische politiek. Wie weet er nu nog dat Belgische grondwet van 1831 een opmerkelijk anti-staats karakter had? Maatschappelijke groeperingen kregen ruim baan, en omdat de machtige liberalen en de machtige katholieke kerk het nooit eens zouden worden, was het de nieuwe Belgische staat al vanaf het begin onmogelijk om een samenbindende politiek te voeren. In Nederland liep dat allemaal niet zo’n vaart. In het noorden werden staat en maatschappij een soort partners, in het zuiden werden ze rivalen.

In de negentiende eeuw gaan burgerschap en politiek uiteen. Met rechtstreekse verkiezingen doorbrak het nieuwe Nederlandse parlement vanaf 1848 definitief het oude politieke systeem van de Republiek, dat vooral bestond uit het naar boven doorgeven van lokale en provinciale verlangens. ‘Er kwam niet meteen veel in de plaats voor de politieke betrokkenheid van de Republiek’, schrijven de historici, ‘toen burgers vanuit hun eigen ervaringen en praktijken in de lokale context van zich lieten horen.’ Een sterk lokaal gerichte gemeentewet hield overigens nog veel plaatselijke bevoegdheden in stand.

In de huidige politieke toestand domineren volgens de historici tegenstellingen tussen hoger- en lageropgeleiden. ‘Omdat in België conflict altijd centraler had gestaan in het politieke verkeer, kregen ook de nieuwe gevoelens van onvrede er veel sneller een partijpolitieke vertaling’, maar in Nederland vond de onvrede van lager opgeleiden minder makkelijk een weg. De klap van de Fortuyn-revolte in 2002 was des te groter. In die hernieuwde poging tot politieke participatie worden vermeende buitenstaanders, of het nu ‘moslims’ zijn of de ‘elite’, vaker dan voorheen buitengesloten. Daar is die oude stedelijke reflex weer, zou je bijna zeggen.

De slotregels van het laatste hoofdstuk van De Lage Landen bieden wel hoop: ‘Gemeenschappen veranderen voortdurend, dat was altijd al zo. Wie “bij ons” hoort, blijft daarmee ook veranderen.’