Europees Hof: bedrijven mogen hoofddoek verbieden op werkvloer

Uitspraak In algemene zin weegt de ondernemersvrijheid op tegen de bescherming van vrijheid van godsdienst, oordeelt het Europese Hof van Justitie, al kan dat per lidstaat verschillen.
Onder voorwaarden mogen bedrijven religieuze uitingen verbieden, aldus het Hof.
Onder voorwaarden mogen bedrijven religieuze uitingen verbieden, aldus het Hof. Foto Getty Images

Werkgevers in de Europese Unie mogen van hun personeel verlangen dat ze hun politieke, religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging niet uitdragen op de werkvloer. Daardoor kunnen bedrijven onder bepaalde voorwaarden verbieden om een hoofddoek te dragen, zo oordeelde het Europese Hof van Justitie donderdag. Volgens het Hof is het voorschrijven van neutrale kleding gerechtvaardigd door „de behoefte van een werkgever om een neutraal imago naar klanten uit te stralen en sociale conflicten te voorkomen”.

Dat bedrijven een neutraal en niet-religieus geïnspireerd uiterlijk kunnen opleggen op basis van de vrijheid van ondernemerschap, weegt in algemene zin zwaarder dan de vrijheid van godsdienst, aldus de Europese rechters. De werkgever moet in dat geval wel kunnen aantonen dat een niet-neutraal personeelsvoorkomen de ondernemersvrijheid beperkt. Wel benadrukt het Hof dat de juridische speelruimte rekkelijk is: de wettelijke bescherming van religieuze vrijheden kan per lidstaat verschillen. Nationale rechters mogen dat laten meewegen in hun oordeel.

Lees ook: Advies aan Hof van Justitie van EU: hoofddoekverbod winkelpersoneel toegestaan

Duitse zaak

In 2017 oordeelde het Hof ook dat een verbod op religieuze of politieke uitingen op de werkvloer volgens het Europees recht geen directe discriminatie is. Het verlangen naar een neutraal voorkomen is een legitiem onderdeel van de ondernemersvrijheid, aldus de rechters. De zaak waar het Hof zich donderdag over uitsprak, was aangespannen door twee islamitische werknemers in Duitsland. Zij kwamen in verzet tegen de kledingvoorschriften van hun werkgever, die hun had verboden een hoofddoek te dragen onder werktijd.

De vrouwen werkten bij een kindercrèche in Hamburg en de drogisterijketen Müller in Neurenberg. Aanvankelijk droegen zij geen hoofddoek op de werkvloer, maar na een ouderschapsverlof besloten ze dit toch wel te doen. Hun respectievelijke werkgevers tolereerden dat niet en dreigden met een schorsing of ontslag. In Duitsland vocht de drogisterijverkoopster de zaak met succes aan, maar in hoger beroep legde de Duitse rechter de zaak voor aan het Europees Hof van Justitie in Luxemburg.