Opinie

De kaart

Ellen Deckwitz

Mijn zus heeft een groot talent voor zowel woede als conflictvermijding (ik vermoed dat die twee met elkaar verband houden). Tegen haar vrienden uit ze haar boosheid zelden, tegen haar familie altijd. Als de zomer nadert, wordt ze nog driftiger. Ze kan namelijk geen nee zeggen als haar wordt gevraagd om tijdens de vakantie te passen op planten/huisdieren/kinderen, met als gevolg dat ze pas tegen de herfst echt kan ontspannen.

Gisteren belde ik om mijn trip met haar kinderen in te plannen (mijn neven gaan, omdat mijn zus vooral druk bezig is om voor anderen te zorgen, vaker met mij weg dan met hun eigen moeder).

„Ah, vakantie, leuk!”, zei ze, „waar gaan we heen?”

„We? Jij blijft toch thuis om voor andermans spullen en wezens te zorgen?”

„Nee, ik heb dit jaar alle verzoeken afgeslagen.”

Ik was enorm onder de indruk. Dit was een grote stap. „Hoe heb je jezelf zover gekregen?”, vroeg ik bewonderend. „Simpel”, zei ze, „ik heb de kankerkaart gespeeld.”

Het kwam zo onverwacht dat het nog steeds niet helemaal tot me is doorgedrongen

Ah. Onze vader heeft sinds kort blaaskanker. Het kwam zo onverwacht dat het nog steeds niet helemaal tot me is doorgedrongen dat hij ziek is. Laatst zei ik tegen mijn moeder dat we met zijn allen, nu het hele gezin is gevaccineerd, weer eens Kerst op de Wadden moeten vieren. Ze viel stil en het duurde even voor ik begreep waarom. Maar de zus is blijkbaar al zo aan de situatie gewend dat ze er geen problemen mee heeft om er dan ook maar meteen gebruik van te maken.

‘Vind je het niet heftig om die troef in te zetten?”, mompelde ik. „Ik weet niet hoe het met jou zit, maar ik heb sinds hij ziek werd alleen nog maar puf voor de noodzakelijke dingen. Pa vindt het ook goed dat ik die kaart speel, sterker nog, hij stelde het zelfs voor.”

Dus ik onze vader bellen om te checken of dat waar was.

„Zeker, als een van je ouders ziek is, heb je toch recht op vrij?”, zei hij goedgeluimd. „Ik ben juist meer gaan werken”, zei ik zacht. „Nou ja, als je daar blij van wordt, houd ik je niet tegen, maar ik kan me zo indenken dat deze hele situatie ook wel wat met je concentratievermogen doet.”

Ik ging na of dat klopte en besefte dat ik al weken mijn vuilniszakken op de verkeerde dag buiten zette, tot grote wanhoop van mijn buurt. „Misschien heb je een punt”, mompelde ik. „Die kaart moet je gewoon spelen hoor”, zei hij zacht. „Scheelt energie.”

En ten slotte: „Anders heeft helemaal niemand iets aan die ziekte.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.