Recensie

Recensie Boeken

Bart Chabot werd nooit helemaal volwassen

Bart Chabot Zijn nieuwe boek belooft je ‘het volle swingende leven’ in te trekken. Dat lukt deels, maar zijn jeugdervaringen en het proza over zijn overleden makker Martin Bril vallen daar zeker niet onder.

Ronald Giphart, Bart Chabot en Martin Bril.
Ronald Giphart, Bart Chabot en Martin Bril. Foto Martijn Beekman

Vanwege de uitputtende beschrijving van zijn verrotte jeugd werd Bart Chabots Mijn vaders hand in deze krant omschreven als een ‘naargeestig’ boek. En naargeestig, tja, dat is toch niet echt een woord dat je zo een-twee-drie te binnen schiet bij het horen of zien van de over het algemeen zo uitzinnige, theatrale Chabot. Wie weet koos zijn uitgever er daarom voor, bij wijze van rehabilitatie, om het nieuwe en wederom vuistdikke Hartritme, deel twee van een trilogie, aan te prijzen als een werk waarmee hij de lezer ‘het volle swingende leven’ in zal trekken.

Ten dele lost Chabot die belofte ook in, maar toch zit er al vanaf het begin een rouwrandje om het boek. De familie Chabot (Bart, vrouw Yolanda en vier zoons) arriveert in Zweden voor een vakantie en ze namen ook hun hond mee. Bril heet het bejaarde dier en men vraagt zich ernstig af of hij de reis terug wel mee zal maken. Bril is vernoemd naar Martin Bril, Chabots in 2009 overleden kompaan. Voordat Chabot die vriendschap uit de doeken doet, neemt hij omstandig de ruimte om andere zaken te beschrijven. Hij maakt nogmaals invoelbaar hoe vervelend de relatie met zijn ouders was (net als in Mijn vaders hand), behandelt zijn avonturen in tv-land en serveert flink wat verhalen uit over Herman Brood, de junkie-kunstenaar aan wie Chabot al een driedelige biografie wijdde. Het komt allemaal niet heel erg noodzakelijk, geestig of pregnant over. Dat Chabots vader (die Nederland als consul vertegenwoordigde in verschillende buitenlanden) een autoritaire zak was en Brood een veelverbruikende flierefluiter, dat heb je op zeker moment wel in je oren geknoopt. De vele anekdotes dragen niet veel bij aan de dimensie van de portretten.

De kritiek op Mijn vaders hand is dan ook op Hartritme van toepassing: het is van een enorme oeverloosheid waarbij er voor een nietszeggend voorval zo drie, vier pagina’s worden ingeruimd. En op een of andere manier wil de beoogde aanstekelijkheid van het rock-’n-roll-leven, dus het zo lang mogelijk doorgaan op het pad dat je als vijftien-jarige insloeg, ook maar niet uit de verf komen; je voelt nul aandrang om er een sigaretje bij aan te steken. Hartritme wordt in zekere zin gered als de theatertournees aan bod komen die Chabot jarenlang met Ronald Giphart en Martin Bril maakte. Weliswaar komt de loltrapperij wederom wat sleets over (boefje Bril die in wasbakken plaste, etc.), maar er komen ook twee interessante ladingen bij. Ten eerste, en daar is nog best wat lef voor nodig als schrijver, maakt Chabot impliciet duidelijk dat een kortgehouden en niet-erkend kind zoals hijzelf een behoorlijke kans maakt om niet uit te groeien tot een volwaardige volwassene. Je merkt het aan de manier waarop Giphart en Bril, die aan de weg timmeren alsof ze een tienkoppig gezin moeten onderhouden, Chabot toespreken. Kom, maak er eens wat van. Schrijf een boek. En kom je verplichtingen na.

Lees ook: Bart Chabot: ‘We vingen het leven in woorden zonder dat het ons echt raakte’

Maar het meest intrigerend is het proza over Martin Bril, een rusteloze desperado die Chabot dertig jaar meemaakte en die een jaloersmakende scherpte (als columnist) koppelde aan een verbazingwekkend gebrek aan levensregie: toen de dood hem op 49-jarige leeftijd kwam halen had hij overal spijt van. Het is, zeker als Brils boze vader zich aan het doodsbed meldt, van een ademstokkende triestheid. Chabot kon toen een goed persoon zijn, zoals het dan ook al lang duidelijk is dat ook zijn zoons dol op hem zijn. ‘“Pap”, zeiden de jongens weleens, “jij was niet zozeer onze vader, maar onze vijfde broer.”’ Meer broers graag, en minder vaders.