Recensie

Recensie Beeldende kunst

Kan kunst hoop bieden, of blijft toch altijd de wanhoop over?

Biënnale Oosterhout Hoop kunnen we nu goed gebruiken, meenden de samenstellers van Kunst in de Heilige Driehoek. Ze zochten naar werken die de hoop het beste weten te verbeelden, want „kunst is de hoogste vorm van hoop”.

Maria Roosen ‘Turn Magdalena turn!’ (2021) en Shelter 2 (2021) voor de Sint Catharinadal
Maria Roosen ‘Turn Magdalena turn!’ (2021) en Shelter 2 (2021) voor de Sint Catharinadal Foto Mischa Keijser

Hoop is uitgestelde teleurstelling, merkte een sportverslaggever een tijdje geleden op bij een voetbalwedstrijd. Dat dat klopt, werd in diezelfde wedstrijd nog bewezen, maar gaat het ook op voor het gewone leven? Het is in ieder geval niet de mindset om mee langs de kloosters te lopen die de locatie vormen van de tweede Biënnale Kunst in de Heilige Driehoek in Oosterhout. Dit jaar staat die namelijk in het teken van hoop, en over de vraag hoe hoop te verbeelden is.

„Het begrip ‘hoop’ is door de Covid-pandemie actueler dan ooit. We hebben vaak het citaat van Gerhard Richter gebruikt: ‘Kunst is de hoogste vorm van hoop’,” schrijven de curatoren Hendrik Driessen en Rebecca Nelemans in de begeleidende tekst voor deze biënnale. Ze kozen niet alleen al bestaande werken die goed passen bij de bosrijke kloosteromgeving, de helft van de aanwezige kunstenaars heeft nieuw werk gemaakt dat gericht is op die omgeving, de gedachte van Richter indachtig.

Zo kwam Guido Geelen op het mooie idee om in de ontvangstkamer van Sint Catharinadal antieke Comtoiseklokken te ontmantelen en aan het overgebleven binnenwerk kleiwerken te hangen die zaken verbeelden die deel uitmaken van het kloosterleven: een boek, dieren, de moestuin. Het dagritme dat het leven bepaalt van de kloosterling is er een van ritme gedicteerd door de tijd voor gebed. Geelens klokken staan op verschillende tijden, de gebedstijden. En voor wie wil: de tijd is natuurlijk ook stil te zetten, mocht bezinning wat meer tijd in beslag nemen.

Foppen

Bezinning gaat samen met hoop op deze biënnale: bezinning over hoe we met elkaar omgaan, wie we zijn en wat we belangrijk vinden. Je ziet het terug in het geluk van een ‘bloemenwei’ zoals Tom Claassen laat zien in zijn geschilderde boomstronken in ‘Flower’, of bij de uit Benin afkomstige kunstenaar Meschac Gaba, die in ‘Globalloon’ vlaggen uit de hele wereld tot één reusachtige ballon vormt om een harmonieuze samenleving neer te zetten. Net als Claassen en Geelen mikt ook Maria Roosen op het natuurleven van de monniken – die in de Sint Paulusabdij begin twintigste eeuw een goed draaiend boerenbedrijf opzetten. Ze rijgt een grote hoeveelheid kalkeieren aan elkaar als omheining van een veld. Kalkeikeren worden gebruikt bij ganzen, om te voorkomen dat die hun eieren stuk prikken. Hoop als fopmiddel, maar ook als waarborg van nieuwe levenskracht.

Hetzelfde geldt voor de ‘Growing Goals’ van Maarten Baas, die op een grasveld bij de Sint Paulusabdij de lijnen van een voetbalveldje plaatste. Twee kleine boompjes zijn de doelpalen: de doelen des levens als bomen die steeds groter worden. Het is wat symbolisch, maar het werkt ook op je lachspieren (en immers: hoop vaart wel bij lachen). Leendert Van Accoleyen en Joost Conijn slagen daar ook in: de eerste gaf een omgewaaide boom wieltjes. Je kan treuren om de gevallen boom, je kan ook lachen om de boom die zich nu kan verplaatsen als die dat wil. Of het vliegtuig van Conijn dat aan de ingang tussen twee bomen hangt. Hij bouwde het in 2000 om er in Marokko mee de lucht in te gaan, het vriendelijk ogende vliegtuigje belichaamt het hoopvolle besef dat niets onmogelijk is.

Jelle Korevaar, ‘Hoop’ (2021) Foto Mischa Keijser

Alle werken bekijkend – ook een gekleurde Maria Magdalena door Maria Roosen, of Perzische miniatuurkunst die Marc Mulders verwerkte in zijn werken of Jelle Korevaars waterput waar zilveren blaadjes flonkeren – ga je je afvragen in hoeverre hoop iets religieus is. De omgeving bepaalt de keuze voor de kunst, de werken krijgen ook een andere betekenis door die omgeving. Het beeld van Peter Buggenhout dat chaos moet verbeelden krijgt meer nadruk wanneer het tussen een geordend kloosterleven staat. Het ‘Oloïde Paviljoen’ van Maria Blaise, waarin bamboestokken een strakke tent vormen, krijgt een soort kathedrale statigheid.

Peter Buggenhout, ‘On hold’ (2021) Foto Mischa Keijser

De omgeving kan zich ook tegen je keren: in hun video’s gaan Martin en Inge Riebeek op zoek naar mensen die hun plek kwijt zijn. Een mooi gegeven, en ze pakken het breed op, maar de uitkomst in liefde en God werkt soms op de zenuwen („God genas me van mijn homoseksualiteit”, vertelt een vrouw in een van die werken). Natuurlijk: het staat allemaal in een goddelijke omgeving, maar je kan ook doorslaan – voor je het weet bekruipt je het gevoel van de blije ‘Positivoos’, die in roze pak zingen dat ‘onze God de beste is’.

Lees ook: Berlinde de Bruyckere raakt mensen waar ze niet geraakt willen worden

Uiteindelijk gaat Kunst in de Heilige Driehoek helemaal niet alleen om die hoop: dat bewijzen het lijdende eenzame beeld Arcangelo V van Berlinde De Bruyckere, de Crucifix Torso II van Robert Zandvliet en de martelaren in de videokunstwerken van Bill Viola, die allemaal in dezelfde kerk zijn tentoongesteld. Hier is hoop niet iets dat je makkelijk krijgt: het is hard werken en wanhopig zoeken met onzekere uitkomst. Het is niet voor niets dat dit slotdeel van de biënnale de meeste indruk maakt. Op zo’n moment neig je ernaar de sportverslaggever toch gelijk te geven.