Foto Roger Cremers

Interview

Kamerlid Laura Bromet: ‘Ik maak in het weekend op wat er doordeweeks te veel is gekocht’

Tafelmanieren Wat er op het bord ligt, zegt iets over hoe we in het leven staan. In deze aflevering: Kamerlid Laura Bromet maakt uiensoep, met dank aan boze boeren.

Het ruikt op het erf van Laura Bromet al naar uiensoep. Of verbeelden we ons dat, omdat ze het op Twitter had gezet? Hoe dan ook, dat er uiensoep op het fornuis staat, hebben we te danken aan het protest tegen de aanleg van hoogspanningskabels op Schiermonnikoog. Waddenboeren deelden op het Binnenhof manden met groenten uit en Bromet nam er een in ontvangst. „Het voordeel van mijn portefeuille.” Bromet is landbouwwoordvoerder voor GroenLinks in de Tweede Kamer.

Om tien uur stonden de uien al op, lang en zachtjes bakken en stoven is het geheim, volgens Bromet. Fantastisch gerecht trouwens, uiensoep. „Er zijn tijden geweest dat we niet zoveel geld hadden, toen we hier net woonden, dan kun je altijd nog uiensoep maken.”

Hier, dat is de woonboerderij bij Ilpendam, vlak boven Amsterdam, waar ze met regisseur-producent Albert Klein Haneveld en hun vier kinderen woont. De woonkeuken heeft uitzicht op de tuin, de tuin ligt aan een brede sloot waar af en toe een fluisterbootje doorheen vaart. Daarachter de weilanden, met grutto’s, kieviten „en dit voorjaar jonge tureluurs.”

Deze zaterdagochtend staat Bromet in de keuken. Op doordeweekse dagen is koken de afdeling van Klein Haneveld, die daarvoor grotendeels leunt op het kookboek De snelle bakplaat. „Albert doet alles. Ik eet drie, vier keer per week in het Kamerrestaurant, ook als ik al voor etenstijd klaar ben. Want meestal kom ik alsnog te laat, en dan zit ik met zo’n zielig kliekje uit de oven.

Zij is de betere kok in huis, vindt ze. En ze verspilt minder. In de groentela duikelt ze een paar slappe stengels bleekselderij op. „Iemand heeft dit gekocht, daar moet dan nog wat mee.” Een rotte tomaat, hop, in de compostbak. Een verschrompelde paprika, die kan nog net. „Ik maak in het weekend op wat er doordeweeks te veel is gekocht. Albert kan dat écht niet. Dat krijg je, als je alleen maar met recepten kookt.”

Zij kiest vaker biologisch, veel groenten, hij is meer van het vlees, zegt ze.

Een favoriete keuken heeft ze niet. Hoewel, „het allerlekkerst vind ik aardappelen-groente-vlees.” Maar als je steeds minder vlees eet, krijg je zo’n gat op je bord. „Aardappelen-groente, en dan wat? Ik ben niet zo van de vleesvervangers. Dan eet ik liever een goed groentegerecht.”

Foto’s Roger Cremers

Dan komt Klein Haneveld binnen. Wie de betere kok is? „Ik ben de beste kok. Veel meer vegetarisch ook dan Laura.”

Uit haar jeugd herinnert Bromet zich vooral roerbakwitlof en -wortel met ham én spek, uit de Allerhande. Haar moeder kookte. Haar vader, documentairemaker Frans Bromet, was altijd weg, „hoewel hij dat zelf een mythe noemt”. Maar koken werd op enig moment wel een serieuze hobby. De Arabische keuken. „Ik herinner me ineens de zwarte bonen met zure room die hij maakte. Heel erg.”

Bromet was een slagersmeisje. Zaterdagbaantje in het dorp, vanaf haar vijftiende. „Op maandag zag je de koe langslopen, die de slager bij een boer uit de buurt had opgehaald. Op zaterdag lag die in de vitrine.” Nee, vegetariër is ze er niet van geworden. „Ik liep in de koelcel gewoon onder zo’n koe door. Alleen tong snijden vond ik moeilijk. Dat ruwe, dat ziet er nog heel erg uit als dier. Maar verder, nee, er stond elke dag vlees op tafel.”

Duurzaamheid, daar hoorde ze pas voor het eerst over toen een collega in de gemeenteraad van Waterland ermee bezig was, rond 2006. „Nu vind ik vlees nog steeds lekker, maar als ik voor dat gigantische schap in de supermarkt sta, dan staat het me zo tegen. Ik kan het eigenlijk niet meer kopen.”

Het leed in de slachterijen, het veevoer dat van de andere kant van de wereld moet komen, die gedachten krijgt ze niet meer weg. „Ik heb lang gedacht: de mens is een dier en dieren eten ook dieren. Maar je kunt ook zo redeneren: wij zijn de enige dieren die ervoor kunnen kiezen om geen dieren te eten.”

Het is een geleidelijk proces dat steeds sneller gaat, zegt Bromet. „Ik denk dat het niet lang meer duurt tot ik vegetariër word.” Wat nog in de weg staat, zijn praktische bezwaren. „Ik ben niet alleen, ik leef in een gezin dat vlees eet. Maar met een hele kip maak je mij niet meer blij.”

Foto’s Roger Cremers

Cultuuroorlog

„Gaan we de tuin in?” Mesje en vergiet mee en naar buiten. Eerst langs het stuk tuin waar het gras tot kniehoogte staat. „Vorig jaar hebben we voor het eerst niet gemaaid, het barstte meteen van de vlinders en insecten, grote libellen zelfs.” Meer drassig grasland, minder maaien, minder stikstof, meer insecten en vogels – dat is ook wat ze als volksvertegenwoordiger wil voor het veenweidegebied, waar het laag houden van de waterstand nu verdroging en CO2-uitstoot tot gevolg heeft. En minder koeien dus. Bromet maakt er niet altijd vrienden mee bij de boeren in de buurt.

Een cultuuroorlog noemt Bromet het landbouwdebat. De strijd om de feiten, als het over stikstof gaat, of over de rol van de Nederlandse landbouw in de wereld, maakt het gesprek met boeren vaak verhit. „Boeren hoeven niet weg, maar je kunt in dit land niet voor de wereldmarkt produceren, daarvoor zijn de grondprijzen in Nederland te hoog. Zo veel mogelijk produceren is geen duurzaam model. Maar veel produceren heeft nog steeds een hogere status dan natuurbeheer. Veel boeren wíllen helemaal geen ander verdienmodel.”

Vier paarse rietorchissen steken als hommelverkeerstorens boven het gras uit. Aan de slootkant groeit watermunt. Een stukje verderop staat de kas die Bromet afgelopen winter op Marktplaats kocht, ernaast een moestuinbak die ze op een zaterdagochtend in elkaar timmerde. De moestuintjes van Albert Heijn doen het verrassend goed. Dikke radijzen en pluksla gaan mee voor de lunch. Tegen het huis groeien de kruiden. Ze plukt wat tijm voor de soep.

Het ziet er allemaal heel zelfvoorzienend uit. Hoe vaak eten ze uit de moestuin? „Nooit. Albert haalt vaak zo’n zak rucola bij de supermarkt, terwijl het hier in de tuin staat door te schieten. Maar je kunt er natuurlijk ook geen gezin van zes van voeden.”

Toch was het haar droom, als kind. Boerin worden. Afke’s tiental las ze. Eigenlijk een verhaal over diepe armoede, maar Bromet las het als een idylle, die boerderij met tien kinderen. Ooit mocht ze van haar ouders iets uitzoeken, als troost, omdat de hond weg moest. „Mijn zus koos een pick-up en ik wilde een moestuintje. Eigenlijk wilde ik altijd al wat ik nu heb.”

Foto’s Roger Cremers

Terug in de keuken zet ze het zondagse servies op tafel, een replica van Ikea van achttiende eeuws Zweeds porselein. Op tafel komen thee van watermunt, salade uit de tuin, uiensoep met tijm en een stuk belegen kaas uit de automaat van de biologische boer verderop.

Ze vertelt dat ze deze zomer voor GroenLinks een voedselnotitie wil schrijven. „Bij landbouw gaat het al snel over stikstof, dieren, milieu, maar veel minder over eten, over voedsel. Terwijl voedsel zoveel terreinen bestrijkt. Het heeft ook te maken met obesitas, gezondheid, armoedebestrijding.” Een vleestaks en eerlijke (hogere) prijzen voor duurzamer voedsel, zoals GroenLinks wil, staan wat haar betreft niet op gespannen voet met armoedebestrijding. „Als lage inkomens minder belasting hoeven te betalen, kunnen zij ook een eerlijke prijs voor hun eten betalen.”

Corona heeft ons de zwartste scenario’s voorgehouden, zegt ze, het liet de kwetsbaarheid van het voedselsysteem zien. „De Romeinen lieten overal zevenblad groeien om onderweg nooit zonder eten te zitten. En ik kan nog brandnetelsoep maken. Maar wat doe je als je op acht hoog woont en er dreigen voedseltekorten? We zijn zo ver van ons voedsel af geraakt.”

Ze heeft bewondering voor de jongeren van nu, die veel meer dan zij op die leeftijd nadenken over gezond en duurzaam voedsel. „Ik probeer mee te gaan, maar ik merk ook dat ik soms gevangen zit in tradities. Als ik hoor hoe bewust jonge mensen met eten bezig zijn, dan voel ik me echt een fastfoodjunk.”