Hoe twee wethouders in Heerlen en in Rotterdam de ongelijkheid proberen te bestrijden

Sociale Ongelijkheid Wethouders in Rotterdam en Heerlen zien de gevolgen van sociale ongelijkheid van dichtbij: langdurig werklozen, armoede, kinderen met een taalachterstand. Wat doen zij om die ongelijkheid tegen te gaan?

Kinderen aan het spelen in Heerlen.
Kinderen aan het spelen in Heerlen. Foto Merlin Daleman

Wie ongelijkheid wil bestrijden, kijkt al snel naar Den Haag. Op de formatietafel ligt een flinke stapel rapporten die hervormingen bepleiten. Invloedrijke regeringsadviseurs deden al voorstellen voor een eerlijker belastingstelsel, invoering van een ‘brede brugklas’ van drie jaar en verregaande inperking van flexwerk.

Maar vele honderden wethouders houden zich in Nederland ook bezig met ongelijkheid – op het gebied van onderwijs, werkloosheid, woningen, zorg en armoedebestrijding. In hun steden en dorpen zien zij van dichtbij de gevolgen van deze ongelijkheid. Kinderen die met een taalachterstand en een lege maag naar school komen. Onleefbare buurten. Mensen die jarenlang, soms generaties lang, werkloos blijven.

NRC sprak twee wethouders die van ongelijkheid bestrijden een speerpunt hebben gemaakt. Uit ‘bijstandshoofdstad’ Rotterdam, met relatief de meeste bijstandsgerechtigden van alle Nederlandse gemeenten. En uit Heerlen, dat in meerdere onderzoeken in de topvijf staat van gemeenten met de grootste kansenongelijkheid voor kinderen.

Hoewel beide wethouders wensen hebben voor het volgende kabinet, vertellen ze vooral hoe zij zélf een verschil maken.

Lees ook: Kansenongelijkheid in Nederland: wie in Emmen opgroeit, haalt een Alphenaar nooit meer in

Wethouder Richard Moti, Rotterdam: ’De overheid moet werkloze mensen vertrouwen geven’

Rotterdam kent de laagst opgeleide bevolking van de veertig grootste steden. Dat werkt twee hardnekkige problemen in de hand: langdurige werkloosheid en ‘draaideurwerkloosheid’. Die tweede categorie mensen „vindt vanuit de bijstand een flexbaantje”, zegt wethouder Richard Moti (Werk en Inkomen, PvdA), „en keert binnen een paar maanden of een jaar terug in de bijstand”. Hun positie is uitzichtloos. Werkgevers willen niet in hen investeren. „Als zij al werk vinden, is het flexwerk.”

Daarom presenteerde de wethouder vorig jaar een scholingsfonds. Mensen in de bijstand kunnen maximaal 2.500 euro per jaar krijgen voor een opleiding of training die hun baankans vergroot, tot mbo-4-niveau. „Vroegere schoolverlaters kunnen nu alsnog hun positie op de arbeidsmarkt verbeteren.”

Rotterdam stopt 14 miljoen euro in het fonds, gefinancierd vanuit de verkoop van zijn aandelen in energiebedrijf Eneco. „Het is een luxe dat wij dat geld hebben”, zegt Moti.

De wethouder realiseert zich dat andere gemeenten meer moeite zullen hebben hier geld voor vrij te maken. Op het bijstandsbudget dat de landelijke overheid gemeenten geeft, voor de begeleiding van werklozen, is de laatste tien jaar zwaar bezuinigd. Daardoor gingen gemeenten uit geldnood vooral werklozen met de beste baankansen helpen. Zij hebben immers geen dure cursussen of intensieve begeleiding nodig.

Richard Moti, wethouder Werk en Inkomen (PvdA) in Rotterdam. Foto Freek van den Bergh/ANP

Ook Rotterdam verdeelde zijn bijstandsbestand aanvankelijk in twee groepen. Ongeveer 17.000 mensen werden als ‘kansrijk’ gezien. Zij kregen begeleiding en scholingsbudget. Zo’n 21.000 vooral oudere en langdurig werklozen, kregen amper aandacht. „Zij hadden eigenlijk nooit contact met de gemeente”, zegt Moti. „En áls ze contact hadden, was het handhavend. Dan werd gevraagd hoe ze hun verplichte tegenprestatie invullen: met vrijwilligerswerk of mantelzorg.”

Bij zijn aantreden in 2018 besloot Moti álle bijstandsgerechtigden weer te begeleiden. Ook daarvoor moest de gemeente extra geld reserveren, bovenop het budget van het Rijk. Die investeringen verdienen zich tot nu toe terug, zegt Moti, doordat het aantal bijstandsuitkeringen hard is gedaald.

Wat Moti nog het meest motiveert, zijn de verhalen van mensen die na al die jaren weer een baan vinden. Zo ontmoette hij een man van achterin de vijftig die al meer dan tien jaar werkloos was geweest en geen begeleiding had gekregen van de gemeente. Nu kreeg hij die hulp ineens wel, onder meer bij het behalen van een rijbewijs. Het leidde tot een baan in de Rotterdamse haven, als brandbeveiliger. „Hij was zó blij”, zegt Moti. „Nog het meest omdat hij nu eindelijk zijn familie buiten de stad kon bezoeken. Dat lukte hem in de bijstand niet, zonder auto en zonder geld voor openbaar vervoer. Nu had hij weer het gevoel dat hij meedeed.”

De meeste mensen willen wel werken, zegt Moti. Maar dan moet de overheid hun ook vertrouwen geven. Vóór 2018 was Rotterdam een trotse uitvoerder van de strikte bijstandsregels. Als ‘tegenprestatie’ moesten veel bijstandsontvangers vijftien weken papierprikken in een geel hesje. „Ik vond dat verschrikkelijk”, zegt Moti. „Dat hebben we geschrapt.”

Een bijstandsgerechtigde vertelde Moti eens dat hij al hartkloppingen krijgt bij een brief van de gemeente op de deurmat. „Dat snapte ik wel. Want in onze uitnodigingsbrief voor een gesprek stond een dreigement: als u de afspraken niet nakomt, kan op grond van de Participatiewet uw uitkering worden stopgezet en een boete worden opgelegd.”

Nu is de brief positiever van toon, en worden de gesprekken vaker bij bijstandsontvangers in de buurt gehouden. „We merken dat mensen daardoor een opener houding aannemen. Wat heel logisch is. Als je de dreiging van boetes voelt, ben je veel voorzichtiger en geslotener.”

Intussen verplicht het Rijk gemeenten streng te controleren of bijstandsgerechtigden zich aan alle verplichtingen houden, zoals tegenprestatie, taaleis en kostendelersnorm. Moti vindt het tijdverspilling. „In de weinige tijd die we hebben, wil ik dat we mensen vooruit kunnen helpen. En niet vinkjes zetten bij alle verplichtingen van de Participatiewet.”

Lees ook: Lodewijk Asscher schrikt zich rot in Heerlen-Noord: ‘Den Haag moet helpen’

Wethouder Jordy Clemens, Heerlen: ‘Als je die stress uit de gezinnen kunt halen, creëer je al lucht

Wie in Heerlen kansenongelijkheid wil tegengaan, ontdekt al snel „wat voor wereld daarachter schuilgaat”, zegt Jordy Clemens (SP), wethouder Jeugd en Onderwijs in die gemeente. Op school „komen kinderen binnen zonder gegeten te hebben”. En: „Echtscheidingen worden uitgevochten met de kinderen erbij.”

Het heeft geen zin de ongelijkheid alléén op school aan te pakken, weet hij daardoor. „Als een kind niet fatsoenlijk eet, hoe kun je dan verwachten dat het grammatica gaat leren?”

Clemens kent de cijfers: in Heerlen is een grote kloof tussen de onderwijsprestaties van kinderen uit rijke en arme gezinnen. Het opleidingsniveau is relatief laag. En er zijn gemiddeld meer voortijdige schoolverlaters dan elders. „Maar de basis van deze problemen is meestal armoede, psychische problemen, ouders die moeite hebben met het leven.”

Heerlen heeft relatief veel tienermoeders, eenoudergezinnen en baby’s die te vroeg of met een te laag gewicht geboren worden – wat kan duiden op een ongezonde leefstijl van de moeder. Daarom begint het jeugdbeleid al ruim voor de geboorte van het kind. „We helpen mensen met een kinderwens bij de vraag: weet je zeker dat je een kind wilt, en dat dit het juiste moment is?” Soms kan een hulpverlener eerst helpen om van een verslaving af te komen, of om een baan en een stabieler inkomen te krijgen.”

De gemeente heeft twee babypoppen gekocht. Af en toe begint de pop te huilen. „Dan moet je hem troosten en voeden, anders maak je hem helemaal gek.” Als verstandelijk beperkte jongeren een kindje willen, „kan het helpen die pop eens mee te geven”, zegt Clemens. „Probeer dat een weekje en kijk eens hoe het voor je is. Dan komen veel jonge ouders tot een andere afweging.”

Arme ouders helpt de gemeente door benodigdheden te betalen als een rugzak of fiets voor hun kind, tot aan het lidmaatschap van een sportclub of scouting. Ook schoolzwemmen is weer ingevoerd. „Omdat kinderen weinig bewegen en arme kinderen veel minder vaak hun zwemdiploma halen.”

Wie armoede bestrijdt, bestrijdt kansenongelijkheid. Daarvan is Clemens overtuigd. „Het draait allemaal om de omstandigheden waarin kinderen geboren worden en opgroeien. Als we die kunnen verbeteren, beginnen kinderen met minder achterstanden op de basisschool.”

Het kabinet zou armoede moeten tegengaan, vindt de SP-wethouder, door minimumloon en bijstandsuitkering te verhogen. „We wéten dat armoede tot stress leidt. En dat stress een belangrijke oorzaak is van vechtscheidingen en kindermishandeling. Dus als je die stress uit de gezinnen kunt halen, creëer je al lucht.”

Pas wanneer een kind een veilige en gezonde leefomgeving heeft, zegt Clemens, ontstaat ruimte voor ontplooiing.

De Heerlense wethouder Jeugd en Onderwijs Jordy Clemens (SP). Foto Jordy Clemens

Zo ging het ook met Heerlen zelf. De stad in Zuid-Limburg raakte na de mijnsluitingen, sinds de jaren zestig, in verval. Hoogopgeleiden en jongeren trokken weg. Op het dieptepunt in de jaren negentig, zegt Clemens, „manifesteerden armoede-ellende, drugsoverlast en prostitutie zich open en bloot op straat”.

Sinds de eeuwwisseling investeerde de gemeente fors in het verminderen van de overlast. „Vanuit die veilige omgeving kon de stad zich verder ontplooien en nadenken over haar identiteit. Dat is wat je kinderen ook gunt.”

Op basisscholen merkt Clemens dat leerkrachten te weinig tijd hebben om les te geven. „Ze staan boterhammen te smeren voor kinderen die geen eten bij zich hebben, en ouders uit elkaar te halen aan de schoolpoort. Kleren te wassen voor kinderen.”

Hij vindt dat de landelijke overheid veel meer geld moet uittrekken voor scholen in kwetsbare wijken. „Het zou zo mooi zijn als ze weer een conciërge kunnen aannemen. Dat er weer lucht komt.”

Als verantwoordelijke voor de huisvesting van scholen, voorkwam de wethouder sluiting van de enige school in de „kwetsbare buurt” Passart, Heerlen-Noord. Volgens de regels had de school al jaren te weinig leerlingen. „Maar als één buurt een school nodig had, was het deze.”

Clemens liet een nieuw gebouw neerzetten, met een buurtcentrum voor welzijnswerk en vrijwilligers. „Zodat de school een spil in de buurt wordt.” Sinds dat besluit van drie jaar geleden, zegt Clemens, „is het aantal leerlingen zo goed als verdubbeld”.