Architect Jaakko van ’t Spijker bij zijn woonwijk Little C in Rotterdam.

Foto Andreas Terlaak

Interview

Het succes van een Rotterdamse wijk die alledaags moest worden

Stedenbouw De nieuwe woonwerkwijk Little C in Rotterdam wijkt af van wat overal in Nederland wordt gebouwd. „Wonen in het digitale tijdperk is niet veel anders dan wonen vijftig jaar geleden”, vindt architect Jaakko van ’t Spijker.

‘Nee, vijfentwintig jaar geleden had ik nooit kunnen denken dat ik ooit een wijk als Little C zou ontwerpen”, zegt de Rotterdamse architect Jaakko van ’t Spijker (50) glunderend in zijn kantoor, terwijl hij op de maquette van de nieuwe woon- en werkwijk aan de Coolhaven in Rotterdam wijst. „Ik werkte toen bij het Office for Metropolitan Architecture (OMA), het bureau van Rem Koolhaas. Het devies van ons bureau nu is het creëren van warme, mensvriendelijke stedelijke plekken, zo staat het op onze site. Dat klink behoorlijk soft, ja, zeker vergeleken met het werk van OMA.”

Steden en architectuur moeten een podium bieden aan het stedelijk leven

Maar hoe soft ook, Little C is om verschillende redenen opzienbarend. Met vier grote, hoge blokken en elf lagere urban villa’s is de wijk hyperdicht bebouwd. Ook heeft Little C on-Rotterdams nauwe straatjes én drie gemoedelijke pleintjes gekregen. De architectuur is supereclectisch, met als inspiratiebronnen de bakstenen gebouwen in New Yorkse wijken als Greenwich Village en het Meatpacking District, de oude Londense haven, de Berlijnse hoven van omstreeks 1900 en de vooroorlogse Rotterdamse baksteenarchitectuur. Bovendien is Little C een collectief ontwerp van een team van (landschaps)architecten van CULD, Inbo architecten en Ruud-Jan Kokke, de ontwerper van de opvallende zwarte, stalen hekken van de talrijke balkons en de 46 loopbruggen tussen de elf lagere woningblokken.

Lees de recensie van Little C (●●●●●): De woontorengekte stopt in Rotterdam (eindelijk)

Je hebt in de jaren negentig bouwkunde gestudeerd in Delft, in de nadagen van het onderwijzersmodernisme. Wat heb je daarvan gemerkt?

„Het functionele denken werd er toen nog behoorlijk ingestampt. Hoewel het niet zo was dat je als student niet de vrijheid had om iets anders dan het modernisme te onderzoeken, kreeg je op een of andere manier van de docenten een frame mee van wat goede architectuur was. En die was functioneel, rationeel en degelijk, met een bijbehorende modernistische esthetiek: strak en abstract.

„Van postmodernisme hoorde je als student weinig in Delft. In een lezing van een gastdocent kwam wel Learning from Las Vegas voorbij, het boek van Robert Venturi en Denise Scott-Brown over de lessen die architecten konden leren van de Amerikaanse roadside architecture. Maar in de studie zelf speelden de ‘ducks’ en ‘decorated sheds’ op de Strip in Las Vegas geen enkele rol. In deze strakke, functionele Delftse wereld was OMA een avontuurlijk buitenbeentje. Daar ben ik dan ook stage gaan lopen en heb ik daarna nog een klein jaar gewerkt.”

Hoe was het om bij het buitenbeetje te werken?

„Heftig en intens. Werken bij OMA slokte me op met huid en haar. De basishouding bij OMA was: niets is onmogelijk. Altijd zoeken naar de grenzen van een project, altijd scenario’s verkennen, niet twee, maar honderd. Soms werd bij het ontwerpen de boel op het allerlaatste moment nog helemaal omgegooid. Een nóg woestere, conceptuele maquette maken, waarom niet?

Het besef dat architectuur in dienst staat van stedenbouw heeft me veel lucht gegeven

„Bij OMA ging het om dichtheid, om de cultuur van congestie, om het stapelen van verschillende functies en programma’s in één gebouw om zo nieuwe, stedelijke belevingen te genereren. Ik vond de extreme nieuwsgierigheid en experimenteerdrift van OMA geweldig, het was na mijn studie in Delft een fantastische postdoc-opleiding.”

In 1997 richtte je met drie studiegenoten studio Sputnik op. In 2003 publiceerde je met Sputnik een boek: Snooze. Immersing architecture in mass culture. Hoe belangrijk is dit boek voor je werk?

Snooze was een poging om ons te positioneren in de Nederlandse architectuur waarin Superdutch, zoals de conceptuele architectuur van bureaus als OMA en MVRDV wordt genoemd, toen op zijn hoogtepunt was. Snooze heeft raakvlakken met Learning from Las Vegas: het is een onderzoek naar wat je als architect kunt doen met nieuwe verschijnselen uit de massacultuur. Daarin zag je omstreeks 2000 de opkomst van de experience economy en branding, waarin massaproductie wordt gekoppeld aan het persoonlijke. Autofabrieken begonnen hun auto’s bijvoorbeeld te presenteren als een verlengstuk van de identiteit van de autorijder en verbonden auto-ontwerpen met bepaalde belevingen.”

Snooze draaide uiteindelijk uit op de formulering van het begrip ‘open specificiteit’. Dat is de rode draad geworden in mijn werk. Steden en architectuur moeten als het ware een podium bieden aan het stedelijk leven. Stedelijke ruimtes en gebouwen kun je zo ontwerpen dat de gebruikers zich die op verschillende manieren kunnen toe-eigenen. Hierbij gaat het niet langer meer om het puur functionele dat mijn Delftse docenten zo belangrijk vonden.”

Van het modernistische ideaal, abstracte woontorens in het groen, worden weinig mensen vrolijk

Dat klinkt nogal abstract. Kun je een voorbeeld geven van een ‘open specificiteit’?

„Een mooi en oud voorbeeld is de trap in de Bibliotheca Laurenziana in Florence. Michelangelo heeft daar een driedelige trap ontworpen die belachelijk groot is voor de smalle ruimte waar die in staat. Eigenlijk is die trap ongemakkelijk, maar daardoor ontstaan er allerlei mogelijkheden: je kunt kiezen welke kant van de trap je neemt en je kunt erop flaneren. Door de overmaat wordt de trap veel meer dan een aantal treden waarop je naar boven of beneden kunt gaan.

Woonwijk Little C is een collectief ontwerp van (landschaps)architecten van CULD, Inbo architecten en designer Ruud-Jan Kokke. Foto Andreas Terlaak
Woonwijk Little C. Foto Andreas Terlaak

„De entreehal van de Centrale Bibliotheek in Rotterdam is ook ‘open specifiek’. Dit is niet alleen een functionele ingang maar ook een gave stedelijke ruimte, een verlengstuk van het plein buiten, een plek die op een open manier gebruikt kan worden. Er staat een koffiebarretje en vaak zitten er passanten, van bibliotheekbezoekers tot daklozen, te schaken.”

Sinds 2012 heb je je eigen bureau dat regelmatig samenwerkt met de landschapsarchitecten Juurlink + Geluk in CULD (Complex Urban Landscape Design). Heeft die samenwerking geleid tot veranderingen in je werk?

„Het heeft bij mij geleid tot een perspectiefwisseling. Door met Huub Juurlink en Cor Geluk te werken begon ik te beseffen dat voor stedelijke ervaringen de ruimte tussen gebouwen belangrijker is dan de architectuur. Natuurlijk moeten gebouwen goed zijn ontworpen, maar voor de beleving van de stad staat de architectuur toch in dienst van stedenbouw. Dit besef heeft me veel lucht en een ontspannen houding gegeven bij het ontwerpen, ik heb nu minder last van de ge- en verboden in de architectuur.”

Little C is een collectief ontwerp. Wat ging er hierdoor anders dan normaal bij het ontwerpen?

„Architecten denken vanuit het gebouw dat ze ontwerpen, dat is het centrum van de wereld voor ze. Maar doordat Little C van begin af is ontworpen door een team van ontwerpers uit verschillende disciplines en we voortdurend overlegden, ging geen van de architecten en vormgevers zijn eigen ding doen. Zo kon de wijk een rustig, prettig en samenhangend geheel worden waarin stedenbouw, architectuur, groenvoorzieningen en de loopbruggen precies op elkaar zijn afgestemd. Hier hebben ook de opdrachtgevers, projectontwikkelaar ERA Contour en bouwer J.P. van Eesteren een belangrijke rol bij gespeeld. Die wilden in het desolate gebied bij Coolhaven, dat vroeger een no go area was, geen ‘iconische’ woontorens bouwen, maar een wijk die vanzelfsprekend en alledaags was. Zij kozen bij de ontwerpwedstrijd voor ons, omdat we voorstelden een kleinschalige, dichte wijk te bouwen, naar het voorbeeld van The Village in New York. Kenmerkend voor deze wijk is dat spektakelarchitectuur ontbreekt, maar dat er wel heel veel alledaagse, informele, prettige plekken zijn.”

Little C is al bekroond met verschillende prijzen, maar juist de architectuur heeft ook kritiek opgeroepen. Door de referenties naar oude, buitenlandse stijlen zou Little C niet vernieuwend zijn en past de wijk niet in Rotterdam, schreef een criticus. Wat vind je van die kritiek?

„Die heeft me wel geraakt, al klopt die kritiek volgens mij niet. Zo is de woeste, OMA-achtige dichtheid van Little C beslist vernieuwend. Maar als je een warme en mensvriendelijke stedelijke sfeer wilt creëren, kan hyperdichte bebouwing niet worden gecombineerd met megastrakke, glazen architectuur. Van het modernistische ideaal, abstracte woontorens in het groen, worden weinig mensen vrolijk. Een wijk die zo dicht bebouwd is als Little C, heeft architectuur nodig die als het ware aaibaar is, met gevels die diepte, reliëf en goede details hebben.

Jaakko van ’t Spijker bij Little C. Foto Andreas Terlaak

„Ook het verwijt dat de architectuur van Little C alleen maar een brandingsausje is, is onterecht. De alledaagsheid en informaliteit van Little C zit niet alleen in de gevels, maar ook in de woningen. Ook die staan in het teken van de doorleefde stedelijke beleving die we nastreefden. De meeste woningen zijn echte, hoge, rauwe loftwoningen, die de bewoners zelf kunnen indelen en afwerken.

„Veel van de kritiek op de architectuur van Little C is gebaseerd op een verkeerde redenering. We leven in het digitale tijdperk waarin de veranderingen sneller gaan dan ooit, hoor je vaak zeggen. En dus moet ook in de architectuur en stedenbouw alles anders en nieuw zijn, is dan de conclusie: in het begin van de 21ste eeuw kun je daarom geen wijken maken als Little C, met referenties aan vooroorlogse architectuur. Maar hierbij wordt vergeten dat lichamen lang niet zo snel evolueren als chips. Mensen blijven mensen, hun harten zijn in het digitale tijdperk niet sneller gaan kloppen en hun ooghoogte is ongeveer dezelfde gebleven. Wonen is dan ook niet veel anders dan vijftig jaar geleden. In Little C hebben we gestreefd naar vernieuwende stedenbouw, uitgevoerd in een tijdloze architectuur die er ook over een halve eeuw nog goed uitziet.”