Geen mobieltjes maar frisbees, leerlingen hebben orde en regelmaat nodig

Lessen Het onderwijs moet terug naar de basis, zeggen experts: kennis, orde en regelmaat. Het Alfrinkcollege in Deurne deed dat. „Het lijkt hier heel streng, maar het valt best mee.”

Leerlingen van het Alfrinkcollege in Deurne. In plaats van bezig zijn met hun mobieltje zijn de kinderen nu meer aan het sporten.
Leerlingen van het Alfrinkcollege in Deurne. In plaats van bezig zijn met hun mobieltje zijn de kinderen nu meer aan het sporten. Foto Dieuwertje Bravenboer

Simon, Sven, Brent, Daan, Jayden en Timo zitten tegen het hek op het schoolplein, tussen hun rugzakken, kijkend naar voetballende tweedeklassers. Op de 14-jarige Brent na zijn ze allemaal 13. Dit is hun vaste chillplek in de pauze. Kletsen en klieren: niemand heeft een mobieltje in de hand. Die liggen van het eerste tot het laatste lesuur in de kluis – verplicht.

„In het begin denk je: wel jammer zonder telefoon”, zegt Brent. „Want op andere scholen mag het wél. Maar nu vind ik het een goed systeem.”

Sven: „Ik denk niet zo veel meer aan mijn telefoon. De meeste kinderen voetballen, frisbeeën of tafeltennissen in de pauze.”

„Als je ze hun mobieltje afpakt”, zegt docent Engels Gert Verbrugghen, „dan moet je er wel wat voor teruggeven.” Hij wijst op twee grote bakken vol sportspullen. Ergens verderop vliegt een bal op een dak.

Het mobielloze schoolplein is een gevolg van een omslag die het Alfrinkcollege, een vmbo-school met zeshonderd leerlingen in Deurne, Noord-Brabant, vorig jaar maakte: de lat werd verhoogd, de sfeer gedisciplineerd, de lessen verbeterd. Het uitgangspunt is dat élk kind kan leren. Sindsdien zijn de resultaten omhoog geschoten, vertelt initiatiefnemer Verbrugghen trots. „We hadden vorig schooljaar maar één zittenblijver en één leerling die naar het speciaal onderwijs ging, terwijl er normaal altijd wel leerlingen afstroomden naar vmbo-kader. Zorgleerlingen zoals ADHD’ers vallen bijna niet meer op in de les.”

Wetenschappelijke methodes

De verandering op het Alfrinkcollege maakt deel uit van een bredere ontwikkeling in het onderwijs: er is meer aandacht voor wetenschappelijk bewezen effectieve onderwijsmethodes. Ook de basisvaardigheden – rekenen, schrijven, lezen – staan centraler. Scholen en leraren worden hierin aangemoedigd door de Onderwijsinspectie, die sinds een paar jaar alarmerend bericht over dalende prestaties, toegenomen kansenongelijkheid en grote verschillen tussen scholen. Ook partijen als de PO-raad (de vereniging van basisschoolbesturen) en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap prediken vaker: scholen, richt je op wat wérkt.

Lees ook dit artikel: Ministeries hebben scherpe kritiek op miljardenplan onderwijs

Toen toenmalig Tweede Kamerlid Jeroen Dijsselbloem (PvdA) in 2008 zijn roemruchte parlementaire onderzoek naar onderwijsvernieuwingen publiceerde, was een van zijn boodschappen dat het onderwijs te weinig naar de wetenschap kijkt. Nog altijd is het onderwijs gek op goeroes, zei hij tien jaar later in een interview met NRC. Maar wetenschappers zien wel een kentering. Het blijkt bijvoorbeeld uit de opkomst van ResearchED, een door leraren geleide beweging die congressen over effectief onderwijs organiseert. En het in 2019 opgerichte Vlaamse Expertisecentrum voor Effectief Leren kan de vragen van scholen „uit binnen- en buitenland” bijna niet aan, vertelt onderzoeker Tim Surma. „De behoefte is gigantisch.”

Overleven op school

Toen Verbrugghen vijf jaar geleden op het Alfrinkcollege kwam werken, vertelt hij in de lerarenkamer, trof hij een school aan waar wel goed werd lesgegeven, maar waar het soms ook „overleven” was – vooral in de derde en vierde klas. „Alleen de sterke docenten redden het”, zegt hij. Leerlingen waren druk en zagen proefwerken meer als ‘afvinklijstjes’, waarbij ze alleen geïnteresseerd waren in hun cijfer. In klas 3 moesten leraren de stof uit klas 2 opnieuw uitleggen: leerlingen waren het alweer vergeten.

De directie wilde gepersonaliseerd leren invoeren, hoorde Verbrugghen. Inclusief nieuw gebouw met leerpleinen waar leerlingen zelfstandig konden werken. Dat was op een school in de buurt ook gebeurd en zou meer bij de tijdsgeest passen. Het zou ook helpen meer leerlingen naar de school te trekken: Deurne is een krimpregio.

„Ik schrok van de plannen”, zegt Verbrugghen. „Ik heb best wat gelezen over evidence informed onderwijs en dat gaat niet samen met gepersonaliseerd leren. Ik dacht: we moeten het tij keren.”

Leraren moeten expert zijn in hun vakgebied

Op zijn initiatief begon een groepje docenten artikelen met elkaar te delen over bewezen effectieve methodes in het onderwijs. „Wat we vonden, was tegengesteld aan gepersonaliseerd leren”, zegt hij. „Veel scholen richten zich op creatief zijn en samenwerken in plaats van kennis. Ze zetten de leraar in als coach. Maar de leraar is juist de grootste factor waar je invloed op hebt in onderwijs. Als de leraar meer op afstand staat, zijn leerlingen afhankelijker van hun thuissituatie in hoeveel ze leren. En dat vergroot de kansenongelijkheid. Dan vallen kinderen af.”

Ze kregen bijna het hele onderwijsteam mee in hun enthousiasme. „De directie zei: we geven het een kans.” Vorig schooljaar startte een proef in de eerste klas, dit jaar volgde de tweede. „De normering én de toetsresultaten zijn hoger. Veel leerlingen staan achten, negens en tienen.”

Dalend niveau

De dalende prestaties hebben de aandacht voor effectief onderwijs doen herleven, denkt onderzoeker Surma. Nederland verliest de internationale toppositie: een kwart van de 15-jarigen loopt het risico de middelbare school laaggeletterd te verlaten. Wiskunde, rekenen, schrijfvaardigheid, natuurkunde – in al die vakken zijn leerlingen over de langere termijn slechter gaan scoren.

Lees ook: Hoe we kinderen weer aan het lezen krijgen

Ook in België daalde het niveau. Een simpele oorzaak is er niet, denkt Surma. Wel denkt hij dat een aantal oorzaken is terug te voeren op één maatschappelijke ontwikkeling: er werd lange tijd juist minder waarde gehecht aan kennis. „De komst van internet heeft bij zowel leerkrachten als ouders de vraag opgeroepen: waarom moet je op school nog leren waar de Rijn stroomt? Veel scholen zijn zich daarop gaan richten op 21ste-eeuwse vaardigheden: samenwerken, creatief denken en communiceren. En daar wringtde schoen. Talloze onderzoeken hebben uitgewezen dat generieke vaardigheden amper zijn aan te leren zonder kennis.”

Marcel Schmeier, onderwijsadviseur en pleitbezorger van directe instructie, een effectieve didactische methode waarbij de leraar weer zelf de stof uitlegt, ziet nog een oorzaak van de toegenomen interesse in wetenschap: de emancipatie van de leerkracht. „Leerkrachten willen zich richten op waar ze wél invloed op hebben”, denkt hij. Niet op het beleid, wel op hun lessen. „Ze hebben meer toegang tot kennis en zijn beter op de hoogte. Ze weten: wat een adviseur of bestuurder komt vertellen, is niet per se de enige waarheid.”

Als onderwijzer voor groep 3 op het speciaal basisonderwijs heeft hij ervaren wat kennis en een hoge lat kunnen betekenen, juist voor de kinderen die minder meekrijgen van thuis. „Ik vond mijn kinderen heel zielig. Sommige hadden thuis geen warm water of kwamen nooit buiten hun wijk. Dus wat deed ik: ik maakte het makkelijker. De leerstof van groep 2 behandelen, zodat ze succeservaringen hadden. Veel buiten spelen.” Tot hij een folder las van de Onderwijsinspectie met de titel: Iedereen kan leren lezen. ‘Dat wil ik nog weleens zien’, dacht hij, ‘moeten ze hier eens komen’. Maar toen hij zijn instructie verbeterde, kwam zijn klas op het niveau van het landelijk gemiddelde. „Er ging zelfs een leerling naar de voorleeswedstrijd in een theater in Zwolle. Met zijn ouders, die waren nog nooit in een theater geweest. Het ontroert me nu nog.”

Orde houden gaat vanzelf

Als de eersteklassers het lokaal binnenkomen van geschiedenisleraar Willem Verachtert, is het stil. Iedereen legt direct zijn spullen op tafel: een doorzichtige etui, zodat leraren zien wat erin zit – geen spiekbriefjes of mobieltjes – boeken en een wisbordje. Het is de eerste les na de pauze. Even daarvoor zijn de leerlingen vanaf het schoolplein het gebouw ingelopen: pratend op de trap, fluisterend op de gangen. De mondkapjes over de neuzen én monden.

„Als je niet hoeft na te denken over routinehandelingen”, legt Verbrugghen uit, „dan houd je meer ruimte over in je werkgeheugen om te leren. Voor leerlingen is het duidelijk wat er van ze wordt verwacht. Orde houden is niet meer nodig.” Dat is een zeldzaamheid op Nederlandse scholen, die in 2016 nog een tik op de vingers kregen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) vanwege „wanorde en lawaai” in de klassen.

Vergelijk het met snelheidsbeperkingen, zegt Verbrugghen. Waren die er niet, dan zouden eerst misschien één of twee auto’s te hard rijden – en al snel wordt te hard rijden de norm. „Zo is het ook op school: die paar leerlingen zorgen ervoor dat je in klas 3 geen les meer kunt geven.”

Ook voor leraren is de lat hoger gelegd. Er wordt van ze verwacht dat ze expert zijn in hun vakgebied en héle goede lessen geven. De muren zijn deels vervangen door glas: zo kunnen leraren bij elkaar binnenkijken en van elkaar leren.

De leerlingen van het Alfrinkcollega hebben doorzichtige etuis, zodat de leraar kan zien wat erin zit.

Foto Dieuwertje Bravenboer

De les van Verachtert, gehuld in Led Zeppelin-shirt, gaat over het Christendom. „Of-ie nou wel of niet heeft bestaan, daar ga ik nu even niet over”, zegt hij over Jezus. „Maar hij heeft wél heel veel invloed gehad op onze cultuur.” In welk jaar is hij geboren? Drie, twee, één: iedereen houdt een wisbordje omhoog, niet meedoen is er niet bij. Enen en nullen. De nullen zijn fout. „Want het jaar nul bestaat niet.”

Sommige leerlingen krijgen voor hun vraag een merit: positieve terugkoppeling. Doet de leerling iets goed, dan delen docenten die uit. Vergeet hij zijn boek of praat hij door de les, dan krijgt hij een demerit. Ongeveer driekwart van de terugkoppeling is positief, een kwart is negatief – en de positieve terugkoppeling is onvoorspelbaar, want dat werkt volgens onderzoek het best, zegt Verbrugghen. „Hiervóór vielen alleen de relschoppers op, nu krijgt de meewerkende meerderheid juist positieve aandacht.”

Merits zijn geld waard: leerlingen kunnen er schoolspullen van kopen, of zelfs een uitje of een workshop na school, zoals cupcakes maken. Sommige leerlingen sparen om mee te kunnen. En er is dit schooljaar 300 euro aan merits geschonken aan het goede doel.

Streng

Is het niet té streng, deze manier van lesgeven? De les van meneer Verachtert oogt vrolijk en ontspannen, maar het is niet de bedoeling dat hij over het EK begint – want dat is zonde van de lestijd. Bouwen leerlingen zo nog wel een band op met hun leraar? „Het lijkt als je hier net op school zit heel streng, maar uiteindelijk valt het wel mee”, vindt Evi (13), die in de pauze in het zonnetje zit. „Leraren zijn heel verschillend. Ik vind het een chille school.”

„Je wordt in ieder geval niet afgeleid”, zegt haar vriendin Lynn (13). En Inske (13) vindt het „niet irritant” zonder telefoon.

En hoe staan ze ervoor? „Geen onvoldoendes.”