Het pauzedrankje maakt de voorstelling niet ‘optimaler’

Economie en recht Deze rubriek belicht elke week kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Ditmaal fiscaal recht.

Foto webphotographeer

Het entreekaartje bij het theater van deze ondernemer geeft niet alleen toegang tot de voorstelling, ook garderobe en administratiekosten zijn erin verrekend. Bovendien krijgt de bezoeker een pauzedrankje, naar keuze alcoholisch of niet. Bij voorstellingen van lokale verenigingen zijn de entreekaartjes exclusief de 3,75 euro die de exploitant rekent voor administratie, jas ophangen en pauzedrankje. Dan moet er afzonderlijk betaald worden voor deze faciliteiten.

Met de Belastingdienst krijgt de exploitant van het theater het aan de stok over het btw-tarief op de alcoholische pauzedrankjes bij de all inclusive. Volgens de ondernemer, die dat onlangs betoogde voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant, koopt de klant als het ware één prestatie – voorstelling, garderobe, administratielasten én pauzedrankje – en daarom zou ook op het alcoholische pauzedrankje niet het hogere, maar het lage btw-tarief moeten gelden. Kortom, het pauzedrankje is eigenlijk een bijkomende prestatie, die opgaat in de toegang tot muziek- en toneelvoorstellingen en zo de hoofdprestatie „optimaler” maakt.

Hoewel de rechtbank het aannemelijk acht dat „een pauzedrankje het bezoek aan het theater aangenamer maakt”, maakt dit de hoofdprestatie – het bezoek aan de voorstelling – niet nog beter. De gemiddelde bezoeker zal het evenmin zo zien, meent de rechter.

De rechtbank verwijst naar een arrest van de Hoge Raad in een (deels) vergelijkbare zaak. Namelijk „dat het gelegenheid geven voor parkeren bij een pretpark niet een bijkomende prestatie was, maar een doel op zich”. Zo ziet de rechter ook het alcoholische pauzedrankje: als een afzonderlijke prestatie. Het hogere btw-tarief blijft gelden.