Toegestane snelheid ontspoorde metro in Spijkenisse lag te hoog

Walvisstaart De ontsporing bij station De Akkers ging de wereld over doordat een kunstwerk van een walvisstaart voorkwam dat de metro tien meter naar beneden stortte.
Het overhangende deel van het metrostel wordt van het kunstwerk in de vorm van een walvisstaart afgetakeld.
Het overhangende deel van het metrostel wordt van het kunstwerk in de vorm van een walvisstaart afgetakeld. Foto Marco de Swart/ANP

De metro die vorig jaar november in Spijkenisse ontspoorde, reed op een stuk spoor waar een te hoge maximumsnelheid gold. Dat is de conclusie van het maandag verschenen onderzoek dat vervoersbedrijf RET instelde naar het incident. Ook had de bestuurder beter kunnen anticiperen op regenval die dag, wat zorgde voor een gladder spoor, en ontbrak een noodreminstallatie aan het einde van het spoor. De ontsporing bij station De Akkers ging de wereld over doordat een kunstwerk van een walvisstaart voorkwam dat de metro tien meter naar beneden stortte.

De metro reed over een zogeheten opstelspoor, waar normaal gesproken een maximumsnelheid van 35 kilometer per uur geldt. Dit specifieke opstelspoor had daarentegen de toegestane snelheid van een hoofdspoor, van 70 kilometer per uur. Het stootblok aan het einde van de rails was niet bestand tegen die snelheid, waardoor de metro doorschoot en op de walvisstaart belandde. Volgens het onderzoeksrapport had een noodreminstallatie dit kunnen voorkomen. Het betreffende spoor en dat daarnaast werden na het ongeval buiten dienst genomen, daarnaast werd uit voorzorg de snelheid op alle eindsporen van het RET-netwerk verlaagd tot 20 kilometer per uur.

De bestuurder van de metro had weliswaar beter kunnen anticiperen op de weersomstandigheden, maar volgens de RET is het de vraag of de persoon hiertoe voldoende in staat was gezien de opleiding en baanervaring. In de toekomst wil de RET in de opleiding meer aandacht schenken aan het „anticiperen op bijzondere omstandigheden”. Ook zegt de RET ontwerpvoorschriften te gaan verbeteren en duidelijker vast te leggen wie welke rol heeft met betrekking tot de veiligheid op het spoor.