Analyse

Wie wil nog leraar worden? Dit moet er gebeuren om het lerarentekort aan te pakken

Onderwijs Hoe los je het lerarentekort op? Investeer in vakmanschap en begeleiding van nieuwe leerkrachten, geef ze meer zeggenschap en een hoger salaris.

Stagiaire Annejet van Lith aan het werk met twintig kinderen, onder toeziend oog van meester Erik van Heumen. Het gebrek aan goede leraren is enorm.
Stagiaire Annejet van Lith aan het werk met twintig kinderen, onder toeziend oog van meester Erik van Heumen. Het gebrek aan goede leraren is enorm. Foto Dieuwertje Bravenboer

Terwijl groep acht een lokaal verderop hartstochtelijk oefent voor de eindmusical, leert stagiaire Annejet van Lith twintig kinderen spellen. „We gaan het woord ‘cadeau’ leren”, zegt ze met één hand in de lucht. „Let op: je hoort ‘ooo’, maar je schrijft ‘e, a, u’. Willen jullie het voordoen?”

„E! A! U!”, roept de klas in koor.

Meester Erik van Heumen, vaste leerkracht van groep zes van basisschool De Kleine Wereld in Nijmegen, observeert achter in het lokaal. „Kijk, Annejet benoemt het doel en het proces. Dan laat ze de kinderen samen oefenen en dan mogen ze het straks nog zelf in hun schriftjes schrijven. Voordoen. Herhalen. Controleren. Zelf doen. Mooi hoor.”

Annejet doet het goed, vindt hij. „Ze ziet welke leerlingen extra instructie nodig hebben, wie rustig voor zichzelf kan werken en ze bewaart de rust. Knap.”

Een goede leraar is cruciaal. Leerlingen die twee jaar op rij een slechte leraar hebben, kunnen zomaar een heel niveau lager uitkomen in het vervolgonderwijs, blijkt uit diverse onderzoeken. Zeker nu de kansenongelijkheid tussen kinderen groeit, kan een goede docent die ziet wat een leerling nodig heeft het verschil maken.

Alarmerende cijfers

Het tekort aan goede leraren én schoolleiders is hét grootste en meest urgente probleem. Zonder goede leraren heeft geen enkele onderwijsvernieuwing kans van slagen. Al jaren verschijnen analyses en rapporten met alarmerende cijfers. En al decennia buitelen stuurgroepen, actieplannen en miljoenensubsidies, die het lerarentekort moeten aanpakken, over elkaar heen. Vooralsnog zonder resultaat. Sterker nog: het probleem wordt steeds nijpender.

Deze weken zijn schoolleiders druk bezig de roosters voor volgend schooljaar rond te krijgen. Sommigen zijn de wanhoop nabij: er zijn niet genoeg leraren om de gaten te vullen. Vooral in armere wijken van de grote steden staan honderden vacatures open, in het basisonderwijs én op middelbare scholen. Ook scholen voor speciaal onderwijs hebben moeite personeel te vinden. Sommige scholen moeten klassen naar huis sturen. Of ze geven nog maar vier dagen les in plaats van vijf.

Lees ook: Coronamiljarden vergroten lerarentekort speciaal onderwijs

De tekorten op deze scholen zijn de afgelopen weken ironisch genoeg groter geworden door de 8,5 miljard euro die het kabinet dit jaar beschikbaar stelde om de leerachterstanden, te wijten aan corona, aan te pakken. Dat geld moet binnen twee jaar worden uitgeven en wordt veel gebruikt om tijdelijk extra docenten aan te stellen. Het betekent in de praktijk dat sommige leerkrachten uit dienst gaan om zich vervolgens via bijvoorbeeld een detacheringsbureau weer in te laten huren bij een andere school, tegen een hoger salaris.

Het lerarentekort is de roze olifant in de kamer, zei Merel van Vroonhoven in mei in de Tweede Kamer tijdens een overleg over de 8,5 miljard, terwijl ze demonstratief een knalroze olifant op tafel zette. Je kunt wel miljarden uitdelen om achterstanden aan te pakken, als er geen goed geschoolde leraren zijn om het uit te voeren, heeft dat nauwelijks zin. Van Vroonhoven verruilde in 2019 haar baan als bestuursvoorzitter van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) voor de lerarenopleiding.

Onafhankelijk aanjager

Van Vroonhoven staat voor de klas op een basisschool in Den Haag en studeert volgend jaar af. Het ministerie van Onderwijs vroeg haar in het schooljaar 2019-2020 om zich als ‘onafhankelijk aanjager’ in het lerarentekort te verdiepen. Na het verschijnen van haar doorwrochte rapport, vorig jaar juli, beloofde minister Arie Slob (Basis- en Voortgezet Onderwijs, ChristenUnie) een taskforce in te richten; vervolgens bleef het volgens Van Vroonhoven „oorverdovend stil”, terwijl het probleem alleen maar urgenter werd.

In de grote steden zijn de tekorten in het basisonderwijs opgelopen van 13 procent in Amsterdam tot 15 procent in Den Haag. Niet alle tekorten zijn even goed zichtbaar. Het probleem wordt vaak verhuld, zegt Van Vroonhoven. Scholen vullen de gaten met stagiairs en onderwijsassistenten of zetten de leerlingen een middag voor School-tv. Op middelbare scholen hebben leerlingen ‘gewoon’ het zoveelste tussenuur. „We zijn het bijna normaal gaan vinden”, zegt Van Vroonhoven. „Dat ís het niet. Dit raakt de kern van ons onderwijs.”

Lees ook dit artikel: Ministeries hebben scherpe kritiek op miljardenplan onderwijs

Gebaseerd op arbeidsmarktramingen van 2019 voorspelt Van Vroonhoven in haar rapport dat het huidige tekort in het basisonderwijs in 2024 met nog eens bijna tweeduizend voltijdsbanen zal zijn toegenomen. Voor het voortgezet onderwijs gaat ze uit van een groei van 1.300 fte’s boven op de huidige tekorten. Dat haal je niet zomaar in met extra subsidies of meer zij-instromers. „De huidige aanpak is te beperkt en te weinig samenhangend. Er is van alles in gang gezet, maar het gaat te langzaam”, stelt Van Vroonhoven.

Wat moet er wel gebeuren? Ze heeft een stevig recept voor het nieuwe kabinet. Begin met het „laaghangend fruit”, zegt ze. Zorg voor meer salaris en repareer de ‘loonkloof’: leraren in het basisonderwijs verdienen minder dan die in het voortgezet onderwijs. Het kost ongeveer 0,6 miljard per jaar om ze evenveel te laten verdienen. Doen, zegt Van Vroonhoven. Lost niet alles op, het maakt het vak wel meteen aantrekkelijker. En je kunt het nú meteen doen.

Wat ook direct kan: zorg voor een betere begeleiding van leraren in de eerste jaren dat ze voor de klas staan. Het aantal afgestudeerde docenten dat binnen vijf jaar weer afhaakt, schommelt al jaren rond de 20 tot zelfs 30 procent. Van Vroonhoven: „Zonde! En je kunt het voorkomen door ze beter te begeleiden én beter voor te bereiden op wat in de klas gebeurt.” Daar schort het ook aan. „De opleidingen staan vaak te ver af van de praktijk en de leraar in opleiding. Zo moest ik leren op een krijtbord te schrijven, terwijl vrijwel alle klassen digiborden hebben.”

Controledwang

Nog een ergernis van leraren die vrij simpel is te verhelpen: de „eindeloze berg papierwerk”. waar ze zich doorheen moeten ploeteren. Van Vroonhoven: „Ik ben ingenieur, maar als ik soms zie hoe ingewikkeld de formulieren zijn die ik als leraar moet invullen… Terwijl het grotendeels overbodige bureaucratie en controledwang is. Stop daarmee. Het verhoogt de werkdruk en ondermijnt het werkplezier.”

Voor de langere termijn pleit ze voor een „deltaplan” waarin het huidige onderwijssysteem op de schop moet. Dat is nu niet gericht op samenwerken, maar op concurrentie. Want schoolbesturen en opleidingen worden betaald op basis van het aantal leerlingen. „Dit werkt niet goed. Iedereen vindt voortdurend het wiel opnieuw uit. Er moet meer en gestructureerder worden samengewerkt.”

Ook aan de kant van de lerarenopleidingen pleit ze voor „ontsnippering”. Er zijn nu 384 routes naar het leraarschap: via pabo’s, lerarenopleidingen, masters op universiteiten en tientallen diverse zij-instroomtrajecten. „De kwaliteit daarvan kan en moet omhoog”, zegt Van Vroonhoven. „Dat vraagt focus: sticht één lerarenacademie waar je zowel leraren als schoolleiders opleidt, zoals in Singapore. Zorg voor een stevig didactisch fundament en leg de lat hoog. Zo wordt het beroep aantrekkelijker.” Het allerbelangrijkste: stop met praten en analyseren. „Daar is geen tijd meer voor. Er is actie nodig.”

Lees ook dit artikel: Rekenkamer: bij onderwijsplan liggen misbruik en willekeur op de loer

Op de Nijmeegse basisschool De Kleine Wereld wordt de begeleiding van beginnende leerkrachten heel serieus genomen. Directeur Judith Heijmans merkte als beginnend leraar zelf hoe belangrijk dat is. „Ik werkte als invaller op verschillende basisscholen. Níémand vroeg hoe het met me ging, ik kon nergens mijn ei kwijt.”

Op haar school is dus wél begeleiding, net als op de andere scholen die onder de Stichting Sint Josephscholen vallen. Dat doet Geesje Gerretsen, bovenbouwcoördinator en coach voor starters. „We wisselen ervaringen uit, kijken bij elkaar in de les. Geven de nieuwe docenten het gevoel dat ze deel zijn van de groep. Dat helpt: we houden ze vast.”

Wat ook helpt: niet álles willen doen, zodat er genoeg tijd is voor het belangrijkste: kinderen leren lezen en rekenen. Gerretsen: „Er komt zoveel op docenten af! Ze moeten kinderen leren tandenpoetsen of vertellen over het belang van bijen. Allemaal heel belangrijk, maar niet de essentie van ons vak.”

Daarbij staat de leerkracht centraal, zegt Heijmans. Dat klinkt misschien normaal, maar is het niet. Veel schoolbesturen bedenken van alles zonder dat leerkrachten daarbij worden betrokken. „Hier niet”, zegt Heijmans. „Onze leerkrachten zijn de spil van de school.”

Gerretsen ziet nu „steeds meer jonge leraren die wéten hoe belangrijk ze zijn.”

„Wij maken het verschil”, knikt leerkracht Van Heumen.

Gerretsen: „Precies. Maar dat besef was er heel lang niet.”

Geen vouwtechnieken

Hun stagiair Annejet van Lith studeert aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Daar begon vier jaar geleden de eerste volledig universitaire pabo: de opleiding pedagogische wetenschappen van primair onderwijs (pwpo). Opgericht vanwege de lerarentekorten én om het vak een steviger wetenschappelijke basis te geven. Het idee slaat aan: inmiddels zijn ook andere universiteiten geïnteresseerd in het concept en voor komend studiejaar staan vijftig nieuwe studenten ingeschreven.

„Hier leer je geen vouwtechnieken, wel welke onderwijsmethodes werken en waarom”, zegt opleidingscoördinator Robin van Rijthoven in een collegezaal die is opgesteld als klaslokaal.

Van Rijthoven deed ooit de pabo in deeltijd en miste een wetenschappelijke basis. „Het werd vooral werken vanuit de onderbuik. Wat vóélt goed. Er was weinig aandacht voor het vak: hoe geef je een goed onderbouwde les?”

Derdejaars Karlijn van Weele knikt. „Je leert hier om een kritische houding aan te nemen. Waarom doe je wat je doet? Wat is het effect van bepaalde didactische technieken?”

Micha Miedema die hier vorig jaar als een van de eersten afstudeerde en inmiddels als docent op de opleiding werkt, miste op de ‘gewone’ pabo een didactisch onderbouwde visie: „Ik kan als docent ontzettend veel invloed hebben op het leven van een kind. Dat kún je niet op basis van je onderbuik doen, dat moet op basis van inzichten uit wetenschappelijk onderzoek.”

Er is geen tijd meer voor praten en analyseren. Er is actie nodig

Merel van Vroonhoven pabo-student

Van Rijthoven: „We onderzoeken lesmethodes, weten wat in veel gevallen werkt. We zeggen niet tegen leerkrachten: dit moet je altijd zo doen. Elke klas is anders, pas je kennis toe, maar stem het af op wat je aantreft.”

Miedema: „Een goede leraar heeft kennis van effectief lesgeven en combineert dat met een goede relatie met de kinderen. Dat is een wisselwerking.”

In groep zes is de dag bijna voorbij. Een kind is jarig en deelt waterijsjes uit. Stagiaire Annejet heeft nog een paar weken, dan zit haar stage erop. Wil ze na haar diploma voor de klas gaan staan?

„Ik weet het nog niet”, aarzelt ze.

„Wat moeten we doen om je te houden?”, vraagt meester Erik. „Meer betalen?”

Annejet lacht verlegen.

„Grapje”, zegt Erik. „Maar niet helemaal.”

Twee jaar op rij een slechte leraar kan een niveau lager in het vervolgonderwijs betekenen.

Foto Dieuwertje Bravenboer