‘Voor de ziel is er geboorte noch dood’

Levenslessen Dit is wat Narsingh Balwantsingh uit de Bhagavad Gita heeft geleerd over zijn ‘ware Zelf’

Foto William Rutten/Collectie Rijksmuseum, beeldbewerking NRC

‘Ik ben geboren in het Oude Westen in Rotterdam, in 1975. Mijn ouders waren nog student. Ik ben bij mijn oma en opa opgegroeid. Van hen heb ik een echte Surinaams-Hindoestaanse opvoeding gehad. Het eten, de taal, Bollywood-films. De rituelen ook: vuuroffers, het lichtjesfeest.

„Niet de spiritualiteit, die kwam later. En hoe. Omstreeks 1985 raakte mijn moeder in de ban van een goeroe. Naast Sinterklaas kwam er nóg een man met een lange baard in mijn leven. Het leidde tot een breuk tussen mijn ouders. Mijn vader verliet het huis. En mijn moeder was steeds minder thuis: haar leven begon zich meer en meer in de tempel af te spelen.

„In feite heb ik mijn jongere broertje opgevoed. Pas achteraf realiseer ik me dat dit wat vreemd gelopen is allemaal. In die jaren zelf stond ik daar niet bij stil. Ons gebroken gezin, school, studie, vrienden, liefdes, werk, vader worden op m’n 28ste: ik had er mijn handen vol aan, en geen tijd om erover na te denken.

„Ik zat in een achtbaan. Zo voelde het, nu ik erop terugkijk. Een jaar of vijf geleden kwam die tot stilstand. Of nee, dit moet ik anders zeggen: mijn eigen leven was in een rustiger vaarwater gekomen en tóch voelde ik opeens een onrust die ik niet eerder had gevoeld.

„Door het boek Een nieuwe aarde van Eckhart Tolle ontdekte ik waar mijn onrust vandaan kwam. Ik was niet in staat ‘in het moment’ te leven. Ik zat in een maalstroom: terwijl ik het ene deed, was ik mijn hoofd al bij alles wat ik ook nog moest van mezelf. In feite was ik vooral met m’n eigen ego bezig. Ik was niet verbonden met iets wat groter is dan ikzelf.

„Dankzij Tolle werd ik me echt bewust van het verschil tussen lichaam en ziel. M’n lichaam is tijdelijk, sterfelijk. M’n ziel is onderdeel van iets wat eeuwig is: die is onsterfelijk, oorspronkelijk, onveranderlijk.

„Het bijzondere is: dit is óók een inzicht uit het hindoeïsme. Het gaat over je ware ‘Zelf’. Wie ben ik? Ik ben mijn lichaam niet. Ja nu, heel even. Maar wat bindt mijn ziel met de eeuwigheid?

„Het antwoord op die vraag vond ik in de Bhagavad Gita: een dialoog tussen Krishna, als God, en een krijger, prins Arjuna, als metafoor voor de mens. Arjuna’s familie onthoudt hem het recht op de troon in zijn vaderland. Er dreigt een veldslag. Arjuna twijfelt hevig of hij dit gevecht tegen zijn eigen familie wil aangaan. Krishna stelt hem gerust: zielen sterven niet.

„Ik vind dat een mooi beeld: een ziel kun je niet verbranden, niet natmaken, niet doden. Die maakt deel uit van iets wat letterlijk en figuurlijk heel veel groter is dan je lichaam, hier en nu. Dat is voor mij wat je ook God mag noemen.”